Multatuli.online

Lijst van brieven op datum

13 maart 1868

van

Multatuli

aan

Cd. Busken Huet (bio)

 

Volledige Werken. Deel 12. Brieven en dokumenten uit de jaren 1867-1868 (1979)

terug naar lijst

13 maart 1868

Brief van Multatuli aan Cd. Busken Huet. Dubbel en enkel velletje postpapier, tot en met blz. 5 beschreven. (U.B. Leiden; fotokopie M.M.)

Jufvr.: de naam is door Multatuli zelf onleesbaar gemaakt; zie de aanhef van het postscriptum. Waarschijnlijk Maria Anderson.

Vrydagmorgen

Waarde Heer Huet, Ik schreef U voor een paar dagen. Op den brief dien ik daarby in afschrift gaf, heb ik nog geen antwoord.

De afspraak met R was dat hy dien òf ter lezing geven, òf hem my met noten terugzenden zou.

Niets terug ontv. hebbende, moet ik nu denken dat dit stuk in rondlezing is.

En ook op myn billet van Dingsdag dat ik naar de Kamer zond toen er een gerucht liep dat de Ministers wilden aftreden, heb ik geen antwoord. Ik zond daarby myn Vryarbeid met verzoek de laatste 8 paginas intezien, waar (1862!) gezegd wordt dat er een nieuwe leus noodig is.

En gister schreef ik brusque dat ik niet langer wachten kon, ‘wyl ik op hooge kosten zat en niets kon aanvangen voor ik wist of men my by voortduring afstootte.’

Nu, ook daarop nog geen antwoord. Ik moet dus gelooven dat de zaak nog altyd in deliberatie is.

Mogt ik iets te zeggen krygen dan zal ik aandringen op eene aanstelling voor U, niet om U plezier te doen, maar omdat ik dit nuttig vind. Dom van H. dat hy 't niet inzag. Aan R. heb ik dat reeds gezegd. Ze verbeeldden zich U al heel mooi behandeld te hebben en gaan altyd uit van ‘begunstiging’ ‘van iemand er boven op helpen.’ Ik heb daarop reeds gezegd: ‘dat ik om U niets gaf, d.h. om Uw voordeel of tevredenheid, dat ik niet dáárom u met hem (R) in aanraking bragt, maar in het belang der zaak.’ Dat is zoo, want nepotisme is me een gruwel. Maar zy staan zoo laag dat ze niets anders begrypen. Ik heb gezegd: ‘dat ik op Uwe aanstelling zou aandringen, al ware ik uw vyand, en dat Hasselm. my toescheen niet op de hoogte van zyn roeping te wezen.’

Die lui droomen van protectie.

Wat my aangaat, beginnen ze nu eindelyk intezien dat ik niet te protegeren ben. Ik heb 't R. uitdrukkelyk gezegd dat ik ‘particulier’ dankbaar was voor zyn welwillendheid, maar dat hier iets geheel anders in 't spel was dan iemand dienst te doen. Ik hoop dat hy 't nu eindelyk gelooft, vooral na myn weigering om v.Z. te verdedigen, vóór hy c.s. my oorzaak geven deze regering te steunen.-

Myn plan is altyd Zondag by U te komen. Maar ge begrypt hoe ik op de schop zit. Elk oogenblik kan my een briefje brengen dat my vasthoudt, of regts of links dryft.

Ik moet decisie hebben. In dit dure logement kan ik niet langer blyven.

Ik herinner my uw practische vraag: ‘kunnen zy doen wat ge vraagt?’

Ja! En meer nog, 't zou verstandig zyn. R. vond het oorbaar, en ook v.Z. nam aan het door te dryven (‘den Min. van Kol. scheenschroeven aantezetten’) maar... eerst moet ik hem verdedigen. Dit nu heb ik geweigerd, zooals ge gezien hebt uit myn brief van Maandag. Doch 't is een antwoord op uwe vraag.-

Myn herstel zou politiek zyn. Ik reken dat er van de Honderd personen vóór my zyn... 1.

tegen... 20.

de rest... 79, zyn de lammelingen die voor my wezen zullen zoodra ik succes heb. Die zullen uitroepen: ‘precies myn idee, ik heb 't altyd gezegd.’ En de meerderheid van die succesaanbidders zou ik 't Ministerie kunnen aanbrengen.-

Eene andere wyze van ontknooping is er niet!

Ook de liberalen zouden, op 't kussen komende, gelyke behoefte hebben aan een nieuwe leus. Alle vorige praatjes zyn versleten. Maar hun zou ik myn hulp niet aanbieden, o neen! -

Jufvr. was eergister by me. Ze bragt me haar geschryf. Misselyk! Ik wist niet wat ik zeggen zou. Ze is te goed om haar te krenken, maar ik mogt toch niet pryzen, en zei: ‘Meid, schryf wat gewoner, wat ordelyker... je springt en huppelt als een dronken mensch, en meent dat je danst. -

Ze is bezig (en sedert jaren al) met dieren beschermen. Nu, dat is gek. Ik heb haar uitgelegd dat er belangryker en practischer dingen aan de orde zyn. Dat stemt ze toe, maar... och, wat doet men al, faute de mieux! Entre nous, al die dingen komen neer op hysterische aandoeningen. Dat zei ik haar, en ze zei niet neen. Maar wat baat het! Dat malle schryven en die paardenliefde, die kruistogten tegen vlooien-jagt en hondenplagen - och, 't is alles een treurig pis-aller.

En 't genezen zou makkelyk zyn, als de maatschappy wat minder dom was. Het zyn de zeden die zulke meisjes, en de edelste! den Minotaur in de kaken werpen.

Toch denk ik haar eens onder handen te nemen. Ik zal haar chirurgie laten leeren, dan kan ze haar trop plein aan goed-willen plaatsen in een hospitaal. Dáár zou ze thuis zyn. Pis-aller blyft het, maar 't is toch mooier, dan mal schryven en opwinding tegen huurkoetsiers. Ik zou daarvan komieke scènes kunnen vertellen. Voor een paar jaar kocht ze een oud paard, dat zy wilde laten dooden. En zie, de verkooper fopte haar, en ze vond het paard terug, als vroeger lydend en nog moetende werken. Kwestie over de identiteit. Ruzie, - ja byna een vechtparty -

Aandoenlyk is het, maar - 't toucheert aan 't gekke.

Intusschen maakte zy zich schuldig aan zeker gebabbel (hysterie; vriendinnen; zucht tot geven, tot uiten, tot één zyn = babbelen!) dat meer kwaad stichtte dan 't verdriet van alle sleeperspaarden te zamen.

Zoo zyn we! Jammer is 't. Ze is een goed mensch.-

Kyk, nu wilde ik graag weten of ik Zondag komen kon! Ik denk en hoop ja!

Jammer dat ik niet logeren kan, afgescheiden nu van uw trubbles, want ik sprak U gaarne langer. Ik weet dat het U interesseeren zou. Ik heb veel te zeggen, en ik hecht er aan dat ge iets meer van me weet dan anderen. Maar dat kan niet in één dag.

Wees met Uwe vrouw hartelyk gegroet van

t.a.v.

Douwes Dekker.

Ik heb haar naam uitgehaald. We weten niet waar de brief belandt. 't Is jammer dat ik U niet vóór 2e Kersdag heb kunnen spreken. Gy kondet sommige verhoudingen niet kennen, en uw standpunt ware beter geweest, indien ge uwe zaak aan de myne hadt aangesloten, want - hoe gek 't schynt, ik heb invloed. Indien ge al de brieven laast die ze van my ontvingen en waarop ze, soms tot myne verbazing, niet boos werden, zoudt ge 't erkennen. Dat R. die niet opregt is, o neen! my in deze zaak opregt wil helpen, is waar! Hy heeft er z'n redenen voor.

Vraagt ge my of ik geloof te zullen slagen? Neen! De tegenstand van de inertie is te groot. Maar 't is al veel dat het niet-slagen nog niet bepaald is.

Indien ik au courant ware geweest van uwe bemoeyingen, zou ik U misschien in staat hebben gesteld om tegenover Hasselman een beter standpunt intenemen. Hy is vry onwetend in de verhoudingen, en wist niet wat uw bezoek beduidde.

Nu is 't te laat - tenzy ik de 3e ontbinding er door kryg. Dan is er niets verloren. By de liberalen heb ik niets intebrengen. En ook onder deze ministers zyn er die tegenwerken - maar de hoofdpersonen zyn voor my, en zy wenschen niets liever dan ontslagen te zyn van Hasselman & Schimm.

't Zyn rare dingen.

Adieu, ik hoop tot Zondag.