Multatuli.online

Lijst van brieven op datum

11 maart 1868

van

Multatuli

aan

Cd. Busken Huet (bio)

 

Volledige Werken. Deel 12. Brieven en dokumenten uit de jaren 1867-1868 (1979)

terug naar lijst

11 maart 1868

Brief van Multatuli aan Cd. Busken Huet. Dubbel velletje postpapier, geheel beschreven. (U.B. Leiden; fotokopie M.M.)

vry letterlyk: de daarop volgende datering is echter een schrijffout voor 10 februari. Een afschrift van deze brief aan Rochussen is ook bewaard gebleven in de brief van Multatuli aan Tine d.d. 12 februari.

magnus mihi erit Apollo: hij zal voor mij een machtige Apollo zijn; gevarieerde aanhaling uit Virgilius, Ecloga III, vs. 104.

Hk.: minister Heemskerk.

Confidentieel

's Hage, 11 Maart 1868!

Waarde Heer Huet!

Ik beloofde U Zaterdag, u op de hoogte te houden. Dit is my daarom moeielyk geweest, wyl ik telkens dacht eene decisie te kunnen meêdeelen, en telkens was 't weêr 't oude gesleep.

Was ik nu zeker Zondag te kunnen overkomen, dan schreef ik misschien niet. Of ja, toch, want ik kan U in allen gevalle copy zenden van een br. dien ik maandag aan den heer R. zond, om in rondlezing te geven. Dat stuk omschryft de positie. Neen, niet geheel! En dat spyt me, want ik zou zoo gaarne willen dat eens eindelyk iemand - d.i. gy - precies wist hoe die zaak van Havelaar in elkaêr zit.

Publiek verwart myn desolaten toestand met myne zaak. Die zaak is onaantastbaar, en wordt dan ook slechts aangevallen door hen die geen schade lyden door een échec. Wie polemische eer te verliezen heeft, tast me niet aan. (Dit is een feit, niet waar?)

Nu, menschen als R. weten dat. Dat wist ook byv. de Resident Brest v. Kempen (Slymering). Het zou een welwillend beoordeelaar myner zaak moeten bevreemd hebben, dat o.a. die man my nooit tegensprak. Maar dat kòn niet.

Hoe dit zy, R. weet ook dat Havelaar gelyk had. Van daar myn francparler met hem. Ik zeg hem wat my voor den mond komt, en het zou velen verbazen, indien men kon weten hoe gedwee myne philippica worden aangehoord en opgenomen. Hy zelf roept nu en dan: ‘Och, och... Multatuli en Rochussen!’ Dat wil zeggen: wie had gedacht dat ik me zoo zou laten kapittelen! Dat riep hy ook toen we verleden Zondag samen schaakten. Ik wilde dat. En hy vond het zoo komiek. Iets als Marius op de puinh. van Carthago, denk ik, of als 't Barneveldsche: wat komt er van den mensch!

In een der laatste brieven die ik te Keulen ontving, schreef hy: ‘maar schryf nu eens iets dat de natie doet trillen’ (alsof zooiets gecommandeerd worden kon.) Ik antwoordde: (zakelyk, neen, vry letterlyk)

11 Maart.


‘Indien de Ministers by voortduring my trachten op zy te schuiven - iets wat onmogelyk is, zoodra ik wil optreden - de gevolgen komen op hun hoofd. Ik ben beu, en zou waarlyk geen 2½ maand geduld hebben gehad (d.i. na 't aanknoopen der laatste onderhandelingen met R.) indien ik met Hasselman zelf hadde te doen gehad. Nu echter viel 't my moeielyk te breken, daar ik niet gaarne den schyn op my laadde alsof ik de tusschenkomst Uwer Exc. versmaadde.
Wat het schryven eener brochure aangaat, om de Regering te steunen... vóóraf moet ik dan toch een bewys hebben, dat die Regering het goede wil, en zoolang zy Havelaar niet herstelt, is dit het geval niet. Ik kan geene Regering steunen die knevelary in bescherming neemt, en dit doet men, zoolang men hem die zich tegen knevelary verzette, mishandelt. Het bewys van beterschap is gemakkelyk te geven. Myn volledig herstel beduidt voor Indië: regt en menschelykheid. Het tegendeel beduidt: voortzetting van de oude misdaden, en Havelaar mag geen misdaad aanmoedigen. Indien ik dat wilde, ware 't my makkelyker geweest in Indië meêtedoen, my Resident te laten maken, en naderhand in Nederland, Minister.’

Hy schynt (als velen) niet te kunnen lezen. Want zie, Zondag stelde hy my namens v.Z. voor: alle stukken die v.Z. aanvielen te colligeren (v.Z. zou ze my leveren) en die flink te weêrleggen. Dan zou v.Z. (ALS het ministerie zich kon staande houden) myn wil by Hasselman doordryven (‘H. scheenschroeven aanzetten.’)

Ik vloog op. Hoe ik precies sprak, weet ik nat. niet, maar R. zei: ‘dat hy dit niet precies alles zoo kon overbrengen, want ik had een eigenaardige manier van spreken & c’

Goed! Ik zou 't dan nog eens schryven, en myn brief wilde hy aan v.Z. & H. zenden. Dit heb ik gedaan. Maandag. Het is de br. die in afschrift hierby gaat. De inhoud is eene deftige overzetting van myn mondelinge opvliegery, en (ik beken dit) een punt van uitgang als ik later zal moeten publiceren waarom ik my heb moeten onthollanderen. Ik zeg 't dan ook dat ik er afschrift van houd. Hy weet dat ik 't anders niet doe.-

Gister, dingsdag, liep er een gerucht dat de Minn. zouden aftreden. Ik schreef terstond een haast-briefje, en zond dat in de Kamer:


‘Exc. Men zegt dat het ministerie wil aftreden. Dat behoeft niet! Het kan zich zoo sterk maken als 't wil, mits het een nieuwe banier opsteke. Ik verzoek U de aandacht dier heeren te vestigen op de laatste 8 bladzyden van myn Vryarbeid die hiernevens gaat. Dáár staat het wat er geschieden moet. Dát is 't ἐυρήϰα van Archimedes, 't ‘Toulon est là!’ van den jongen Bonaparte.
T Volk is misselyk van oude kost en smacht naar iets degelyks. Er moet naar waarheid gestreefd worden. Indien men dit ernstig wil, is dit voornemen ook zóó uittedrukken dat het vertrouwen inboezemt en men zal een flinke nieuwe party kunnen verzame-len onder een onversleten banier. Wil men dat, dan zal ik helpen. Sinon - non!’ -

Ook hierop, als op myn br. van den vorigen dag, nog geen antwoord. R. kennende (die terstond antwoordt als hy kan) maak ik hieruit op dat myn briefje, met de laatste 8 bladzyden van den Vryarbeid, alsmede in rondlezing is. proficiat! -

En nu, magnus mihi erit Apollo die me weet te zeggen hoe alles afloopt. Ik gis dat v.Z. & Hk. myn weg op willen, maar dat ze bezet zitten met Hasselman. Nu, dan moet men hem écarteren. Wel zal dat niet gemakkelyk gaan, maar wie alleen 't makkelyke wil, bereikt niets.-

Het is nu al 3 uur, woensdagmiddag, en nog hoor ik niets. Myn geschryf is dus in behandeling, en gy begrypt dat ik nieuwsgierig ben.-

Mògt ik iets bereiken, dan zal ik aandringen op eene aanstelling voor u, niet om uwentwil, maar omdat ik dat voor goed houd. Ik heb dit reeds aan R. gezegd. Hy blyft er by (en maak hieruit de niveau van Hasselm. op) dat myn zaak gereüsseerd zou zyn indien niet H. zooveel (!) voor U gedaan had. Ik vraagde of H. dan een bepaald quantum goeds te leveren had? &c.

Ook had hy niets voor U gedaan, maar, zei ik, al ware dit anders, dan nog moest hy dat beschouwd hebben als ten nutte der zaak, en niet als gunst. R. stemde alles toe, en riep weêr over de kleinheid van H. Ik hoop Zondag te komen. Maar daarover schryf ik nog nader. Maak in Godsnaam myn tekortkoming voor de Courant een beetje goed. Over een paar dagen zal ik alles inhalen, en u wat ruim leveren. Gy begrypt hoe gespannen ik ben over myn schaakparty. Hartelyk gegroet, t.a.v.

DD.