Multatuli.online

30 en 31 juli 1863

Brief van Multatuli aan Mimi. Twee dubbele velletjes postpapier geheel beschreven. (M.M.)

Datum op grond van een notitie in potlood door Mimi op de brief aangebracht. Het briefje met potlood is niet teruggevonden.

H & T: Hotz en Truida, zijn vrouw.

de leerlingen van Pythagoras: zie Idee 52, VW II, blz. 319.

Donderdag avend, laat

Ik heb je brief, myn lieve Mimi, en ik ben er bly meê. Je zegt: ik heb goed gedaan je zóó te schryven, je had er behoefte aan.’ O dàt doet my innig genoegen. Zie je, dat heb ik nooit zoo kunnen doen, en ik woû toch zoo graag. Elke aansluiting buiten u, of zonder u, deed my zeer. Ik ben natuurlyk erg verlangend je te zien, en wat vry, ik bedoel zonder anderen dwang dan voortkomt uit onszelf Maar toch heb ik lust je nog te schryven. Dat moet ook nog. Datje my nog niet goed kunt antwoorden op myn brieven (vandaag moetje den 2n ontv: hebben) begryp ik.

Ik lees daar weêr je brief over. Ik ben er zoo bly meê. Tine heeft je heel lief. Zy weet hoe ik je in 't hart draag. Ik weet datje my gelooft, maar toch woû ik dat je 't haar eens vroeg - neen, getuigen roepen is gek. Goed, schryf haar maar dat ik dol op je ben, en zie eens of ze niet antwoordt dat ze 't wist? Zy heeft een paar blaadjes maar van je dagboek gelezen, en woû niet voortgaan. De reden is dat zy vreesde u te belemmeren in uiting by later schryven, als je wist dat een 3e 't lezen zou. Dat is heel délicaat van haar. Zy bewaarde 't voor my, toen ik 't te Brussel had.

Van avend gewandeld met die goeie Marie. Aan de Geestbrug thee gedronken. Er was illuminatie en muziek. Ik kan niet laten telkens over je te spreken, en soms ben ik wel eens bang dat dit lomp van me is, maar aan haar merk ik 't nooit. Al was zy verliefd op je, kon 't niet beter zyn. Ze is innig goed. Over H. & T. mondeling. Francis is een beste meid, waarachtig! Ik weet van Marie hoe Truida u over my heeft gesproken. Dat is... komiek! heel erg komiek.

Gister nacht 1 uur toen je dat briefje met potlood schreef, dacht ik ook aan je. Ik begryp dat je niet geregeld schryven kunt.

Twee dingen in je schryven frapperen me:

1o. ‘Ik zal moed noodig hebben je alles te zeggen.’

2o. ‘Ik hoop (weet) datje niet nog slechter over me denkt dan je zegt te denken.’

't eerste begryp ik niet: Jy moed tegen my noodig? En 't tweede! O Mimi, hoe kun je zoo iets schryven? Heb ik gezegd dat ik slecht over je dacht? Ik heb je lief als m'n afgod, je bent myn ideaal, en ik zou slecht over je denken! Maar zóó kun je 't ook niet gemeend hebben. Och, kon ik je bewyzen hoe hoog ik je stel!

Ja, ik verzoekje my alles, alles te zeggen, maar ik kan my niet voorstellen dat je tegen my daartoe moed noodig hebt. Ik voel my zoo innig met je!

Zondag morgen Kwart voor negen Hoogesluis. (dat is in je buurt) Mogt je verhinderd zyn, maak je dan niet ongerust. Ik begryp dat er beletselen kunnen komen. [*] De laatste drie zinnen zijn doorgehaald. (G.S.)

Ik zal logeren in de Munt. (Kom in de Munt. Dat kàn. -

Morgen schryf ik hier nog by. Nu ga ik slapen, en jy zult myn laaste gedachte wezen. Och 't spyt my dat ik nooit droom.

Vrydag morgen.

Ja, kom zelve direct in de Munt. Zondag morgen. Dat kan zeer goed. Ik heb daar vaak gelogeerd, en meermalen dames ontvangen. Ik zal naar U uitzien, en bovendien zeggen dat men U terstond boven laat. Als ik U ontmoette op de hoge sluis, zouden wy toch eerst naar een huis moeten loopen waar wy vry spreken konden, en op myn eigen kamer is het 't best. Je weet immers waar de Munt is? Dat logement met 'n toren aan 't einde der Kalverstraat, of van U komende, aan 't begin. -

Ik lees weêr je brief en uw vrees dat je moed noodig zult hebben, geeft my weêr angst datje misschien toch weêr zult moeten weigeren je aan te sluiten. Ach Mimi, er is voor U geen moed noodig tegen my. Zelfs als je, naar de inspraak van je gemoed verpligt was te breken, wel zal 't my smarten, maar ik zal alles begrypen.

Werk? Ja, ik hoop ja! Buiten myn behoefte aan hulp, zou ik 't jammer vinden vermogens (en een hart) als 't uwe ongebruikt te laten. Het eerste werk, het punt van uitgang zou wezen dat ik vast op je kan rekenen. Wel zou ik nu reeds je iets kunnen opdragen, maar dat is byzaak, en 't haast niet. Ook zou je op 't ogenblik, in den crisis der beslissing over je heele leven, minder dan ooit tot gezet werk geschikt zyn. Het winden van 't anker, het zetten der zeilen geschiedt na het besluit om de reis te maken. Of je dat besluit nemen zult is de vraag, en daarom moet ik voortschryven, opdat je weet waarheen? en met welk schip? ('t is een arm klein, lek vaartuig, en de kansen van vergaan zyn oneindig grooter dan van 't slagen.)

't Geheim van den opgang der Robinson's geschiedenissen ligt daarin dat hy alleen was. Eén mens in stryd met de natuur, één mens! Elke andere stryd in 't leven wordt gevoerd met zamenwerking, en waar wy kortaf lezen: ‘Xerxes trok over den Hellespont en Napoleon over de Niemen’, luidt de ware vertaling: ‘Zóóveel mensen deden dien togt, aangevoerd door X of Nap.’

De robinson's hadden 't wel makkelyk! Ik ben er jaloers van. Die trouwe, zich zelf gelykblyvende natuur is een mak paard zonder kuren. Wie te werken heeft op mensen, heeft meer te doen, wyl hun regel veranderlykheid is. Nooit viel op een onbewoond eiland een steen naar andere wetten dan in Londen, ‘the proper study of mankind is man! Ja en de moeielykste!

Het overtrekken van den Hellespont is geen kunst; dat water draagt, als overal, een bootje, een schip, naar de algemeene wetten. Maar er is meer noodig om 2½ miljoen personen (of zooveel minder als er tarra is in de geschiedenis!) te bewegen meêtegaan. Al die Aziaten lieten hun woonplaats, hunne gemakken, hunne verwanten achter, omdat één persoon door Griekenland heen, een wereldryk wilde stichten. Die monsterachtige uitkomst berust op een zeer eenvoudige... multiplicatie, haast te eenvoudig om uitteleggen, en toch let men er niet genoeg op. Verdeel eens Xerxes ryk in 3 deelen, elk deel in 3 onderdeden enz. Neem aan dat de 3 hoofden van elk deel gelooven in (gehoorzamen aan) 't hoofd dat boven hen staat, dan kom je reeds in de 15e splitsing tot ca 4 miljoen personen die den wil volgen van één persoon. Er liggen slechts 12 of 13 termen tussen Xerxes en den geringsten krygsman die meêging van de indise grenzen.

Maar neem de rede van de reeks grooter (er waren méér satrapien dan 3) vermenigvuldig by elken term de overbrenging van den wil met 20, met 50, met 100, dan heb je een veel korter weg afteloopen om van den éénhoofdigen top der piramide den enormen basis te bereiken.

1 × 100 × 100 × 100 × 100 is honderd miljoen. Doe er nog maar een term by, dan ga je reeds het geheel zielental van onze aarde tienmaal te boven!

Ik houd veel van cyfers, en vind deze redenering sprekender dan 't beeld van Jezus over zuurdeessem, ofschooni daarmee 't zelfde zeggen wil. -

Dàt heeft dan ook de Katholieke kerk goed begrepen! 't Is altyd geweest de schoonste organisatie die ooit bestaan heeft. Van den paus tot den minsten kloosterportier of liefdezuster, bestaan betrekkelyk slechts weinig trappen, maar door eene voorbeeldelooze geslotenheid heeft zy met haar stelsel de wereld geregeerd! Voor de wyze waarop zy gebruik maakte van haar magt, trek ik natuurlyk geen party, maar de organisatie is prachtig. Zy had het zóó ingerigt dat ze den mens aangreep by zyn geboorte, en hem niet losliet by den dood, ja daarnà zelfs! Van den doop tot het laaste oliesel omklemde zy de zielen met onweêrstaanbare magt, en nog nà 't sterven beschikte zy over de mate van zaligheid. Zeg niet als je leest dat zielmissen invloed hebben op 't comfort en 't bien-être eens dooden. ‘Wat 'n gekheid!’ of lach er niet om als een troepje zeer zondige kardinalen een onbekend wezen uit den voortyd zondeloos d. i.: heilig verklaart; bewonder veeleer de kracht die zulk geloof wist te doen aannemen. En die kracht sproot grootendeels voort uit dat ééne (schoone) leerstuk: de onfeilbaarheid van de Kerk! Oordeel niet te gauw in uw verwondering dat ik dit leerstuk schoon vind. In uwe protestantse traditien moet het je bespottelyk voorkomen, ongerymd. De protestanten zyn òndingen, Mimi! Met hun halve wysheid wilden zy 't gebouw behouden, maar... zonder onderste verdieping, zy willen zee en regen. - zonder vocht, zy willen wel dien dorpsklok bewaren, hoog in de lucht op dat ieder ten allen tyde kunne zien hoe laat het is, - maar de toren waarop die klok staat, en zonder welken 't behoud der klok onmogelyk is, hebben zy omgehaald.

Ik beken dat het Katholicisme een oud, verrot gebouw is geworden (eenmaal was 't schoon en stevig, hoewel 't slecht bewoond werd, of bewoond door slecht volk) maar 't protestantisme is 'n huis zonder rez-dechaussée.

Wie de onfeilbaarheid van den paus in twyfel trekt, heeft regt het heele gebouw, daarop gegrond, te verlaten, maar dàt te willen behouden, zonder dien basis, is gekheid.

En, die onfeilbaarheid der Kerk bestond indedaad, voor den denkenden katholiek, zoo goed als voor den domme die meende dat de paus nooit zondigde. Dàt was het niet! Vraag eens een matroos of zyn kommandant nooit verkeerde orders gaf? Het staat hem vry dat te meenen, te betoogen zoo langdradig als hy maar wil. Stel zelfs dat-i gelyk heeft, en juist is de wyze matroos bezig op 't voordek dat bondig te demonstreren, daar klinkt de stem van dien feilbaren kommandant:

- Reven, alle man òp!

Weg is de feilbaarheid! Hy roept ‘reven!’ en als er niet gauw gereefd wordt, is 't schip naar de maan, met den wyzen matroos er by! Als hy indedaad intelligent is geeft hy 'n oorveeg aan den nieuweling, die, geschokt door zyn betoog, het wagen zou te protesteren tegen 't bevel. Wel kan de Kommandant falen, maar geen feil van zyn kant kan zóó nadeelig werken op het geheel, als 't verlies van den eerbied voor zyn stem. -

Waar ik 't: ‘hy, de meester, heeft 't gezegd!’ afkeur in de leerlingen van Pythagoras, die meenden daarmeê iets te bewyzen, spreek ik van school, van studie, van wysbegeerte. Waar ik onfeilbaarheid voorsta, spreek ik van handelen.

In dien zin moet ik onfeilbaar zyn, om dien breeden Hellespont niet onverzeld overtetrekken.

En, aardig, (oorzaak en gevolg weêr ineengesmolten) - ‘het geloof in anderen aan die onfeilbaarheid, beschermt indedaad tegen veel verkeerds. Het vertrouwen òp kracht, geeft kracht!’ -

Geloof? 't Is een domheid of subliem! Domheid in redenering, in zoeken naar waarheid. Subliem in handeling, als 't grootste offer.

't Geloof in Columbus heeft Amerika ontdekt, 't gebrek aan geloof belette hem, het eer te ontdekken, 't is een fout in Jezus dat Judas niet zóó in hem geloofde dat verraad onmogelyk was.

(Die heele historie is apocryph. De joods-romeinse policie had niet nodig dat iemand haar aanwees waar Jezus was. Hy was immers dagelyks te vinden. Het vertelsel dat-i verraden was, zal z'n oorsprong hebben in zucht om hem te declineren in de ogen van 't volk. ‘Zie, zoo weinig goddelyks is er in hem, dat één der zynen die dan toch overtuigd moest zyn van die goddelykheid, hem verraadt.’ De afval van Judas was een gewenste smet op de firma: ‘Jezus, discipelen, & Co’ maar volstrekt niet noodig om hem in handen te krygen. Bovendien lag 't verschuilen niet in 't plan. Een wegschuilende, zich verstoppende Jezus is een ondenkbaar iets, en klopt dan ook niet met zyn flink: ‘Wien gy zoekt, is hier!) -

In myne omgeving vond ik geloof, maar steeds direct daarbuiten hevige tegenwerking, 't Scheen of men elders nayverig was op myn invloed in de nabyheid. De brief dien Droogstoppel vond in 't werkmandje van Everdine is een staaltje (een grof maar sprekend staaltje) van die algemeene zucht om my aftetrekken wat my naby stond. - Toen ik voor 't eerst (en ongaarne) besloot myn kleinen kring te verwyden, door als schryver (!) optetreden in 't publiek, meende ik in den aanvang dat ik geslaagd was. ‘Ik wil gelezen worden’ had ik brutaal gezegd, en 't gebeurde. Maar de opgang dien ik maakte en den invloed dien ik daardoor krygen zou, moest gefnuikt. Openlyk, flink tegen my schryven deed men niet. Zoo als ik reeds zeide, men beantwoordde myn zetten niet maar wierp 't bord om, zoodat de stukken wegrolden in den modder van de dagelyksheid waarin ik niet tuis ben. Ik apprécieer die taktiek, als doeltreffend, hoe onedel dan ook, want ik erken dat het rondspartelen in 't slyk der gewone dingen my afmat en vaak ontmoedigt. Zonder hart ben ik niets waard, en dáárvoor heb ik geen hart. Wat zyn ze slim, die domme mensen, op hùn terrein!

O, de manier waarop men my gedurig naar beneden haalt van 't voetstuk waarop ik my durfde plaatsen, is treurig. Ik zou kunnen (en eens misschien zal ik 't doen) een schets geven van de wyze waarop Nederland heeft geantwoord op den Max Havelaar, ‘die zoo mooi was’ zeide het!

Maar niet daarin wil ik my nu verdiepen.

Voor U, en in dezen brief, is de vraag wat er gebeuren moet, wat er wezen zàl, niet hoe ik tobde met 'n ondankbaar verleden.

Waar ik aanhankelykheid vond, zucht tot aansluiting, was 't groo-tendeels, ja byna uitsluitend by vrouwen. Wat er onder mannen van myn geest is, zal eerst blyken na twintig jaar als zy die my lazen in hun kindsheid de maatschappy zullen besturen. Wie ouder was by myn optreden, was vooraf reeds ingenomen door koffy, suiker, bybelgod, corpus juris, metallieken en andere winkelartikelen. Er zal gestreden worden in myn naam, als ikzelf niet meer zal dáárzyn. O, ik weet het, er is dood noodig om leven te wekken, en geen weg leidt ten hemel dan over Golgotha. -

Maar dat 's geen reden om inteslapen vóór Golgotha, - integendeel! O, wat maakt de legende 't dien Jezus makkelyk! Wat ligt er weinig verveling tussen zyn: ik zegge u!’ en 't is volbragt! Wat was zyn veldtogt kort en gauw beslist, - hoe weinig garnisoensdienst! Hy kwam, zag, schold, berispte en werd gedood. -

Waar ik aanhankelykheid vond was 't meestal by vrouwen. Heel natuurlyk. Zy zyn de Samaritanen van dit Judea! De paria's dezer maatschappy. Zy mogen niet dìt, zy durven niet dàt, - zy zyn voorbeschikt te hooren naar elke blyde boodschap van verlossing. En ik, met myn ‘malle begeerte om de smarten der wereld te dragen’ ik was voorbeschikt te lyden onder hare ontbering van vryheid.

Zóó hebben velen my lief gehad, en ik velen!

Nu vraag ik je, of ik gelyk had in myn eersten brief, van maandag Mimi, toen ik zei dat hier geen plaats kon zyn voor jalousie. O, dat valt weg!

Wie my liefhebben, en myn zaak, moeten zich vereenigen tot zamenwerken. Er moet een vorm worden gegeven aan de kracht die in veler hart woont. Er moet éénheid zyn in 't streven van allen die zwygend vraagden: ‘Vindt ge 't niet benauwd hier?’

Ik zal dien vorm uitdenken, vaststellen. Reeds lang zou ik 't gedaan hebben, maar ik kon niet zonder u, omdat ik je zoo onbeschryfelyk lief heb. Dat brak myn élan.

O, Mimi, als je wist hoe électriek de indruk was dien middag toen ik je voor 't eerst zag, en toen je my kuste! Nooit is 't gevoel verzwakt van dien dag. Voor my lag in die kus een verbond voor altyd, altyd! En wat gy ook moogt beslissen, al zoudt ge neen zeggen op al wat ik u vraag, al zou je ook nu weêr meenen te behooren aan andere pligten, in myn hart zal ik u blyven aanhangen, en vereeren en beminnen zonder grens.

Maar wèl zal 't my smarten en verlammen als ik u vreemd moet houden van 't groot ryk van Insulinde!

Insulinde, dat is, ja, vooreerst die verzameling van prachtige landen ‘die den evenaar omslingeren met 'n guirland van smaragd’ maar later, later, zal 't den naam wezen van 't groote wereldryk dat ik stichten wil, en waarin ik u wil zien op de eereplaats.-

In 't begin zei ik dat de beschryving myner persoon moeielyk is. Hier nu byv: ik zie geen kans u 't verband aantewyzen tussen myn ‘eerzucht’ en myn liefde voor U; ik weet niet wat uw gelaat, uw houding, oogen, stem, - een handdruk of kus van U te maken heeft met den moed en de kracht die ik zal noodig hebben om den Augiasstal der maatschappy schoon te vegen, - maar al begryp ik dat alles nièt, ik voel het wel, en myn heele begrip zit in dat gevoel. ‘Les grandes pensées viennent du coeur.’ Zonder dat gevoel ben ik dan ook in de meeste dingen geniaal dom. Myn lieve Everdine weet er zoo iets van! Zy die my by de hand leidt als een kind. (Zie daarover de schoone woorden van de Pène vóór den Havelaar.)-

Over 't geheel zal je al die tegenstrydigheden in myn zyn kunnen vinden in myn geschryf, dat je (nu vooral) beter zult begrypen dan aan een ‘publiek’ mogelyk is. Sla nu maar myne ideen op of de Minnebrieven, of de vry-arbeid, waarin ik hier en daar veine heb van uitdrukking, - overal zul je vruchten vinden van den grond, dien ik je nu in ruwe trekken heb beschreven. En als je anderen over my hoort spreken, zul je veelal lachen in jezelve.-

Toch betreur ik 't niet dat ik schreef voor publiek. Ik heb daaraan U te danken.-

Vraag je nu: wat moet ik doen, nu, heden, morgen? Zie, dat weet ik niet. Ik heb te werken. Ik moet de groote Constitutie schryven voor Insulinde. En dan gy!

Wat U aangaat, gy hebt thans alleen te antwoorden op de vraag ‘of je my liefhebt?’ Dat antwoord kryg ik Zondag!-

En, Mimi, meen niet dat er moed noodig is om ‘neen’ te zeggen, of ‘ja met voorbehoud.’

Als altyd, zal ik berusten in de uitspraak van uw gemoed, en 't zal my een rust wezen te weten dat je nu 't gewigt begrypt uwer keuze, en dat je juist uit dit schryven hebt kunnen zien hoe hoog ik je stel, niet in myn hart alleen, maar ook in myn droomen van toekomst, van stryd, en van overwinning. Toch zul je myn fancy blyven al vlugtte je heen!-

Door veel dagelykse dingen ben ik juist tegenwoordig heel erg gedrukt. Des te beter. 't prouveert voor my (in m'n eigen oog) dat ik gebukt onder 't kleine, my vastklem aan 't groote. Dat geeft my weer verwaandheid genoeg, om er doorteslaan.-

Wat in myn schryven (heel négligé) niet zamenhangt, moet je maar vasthechten. Ik vind het prettig als ik slordig mag wezen.-

Het denkbeeld je weldra te zien, met meer vryheid dan ooit, maakt my gloeiend.-

Myn plan is Zaterdag avend in Amsterdam te komen. Vind ik dan iets van je in de Munt? toe, een woord maar, een groetje.

Dag, lieve, lieve Mimi,

Naar uwe opgave mag deze brief geen adres hebben van myne hand. En toch is 't zoo. Ik schryf Marie's adresje na. Dat deed ik gister ook. Heb je't gemerkt?