Multatuli.online

29 en 30 juli 1863

Brief van Multatuli aan Mimi. Twee dubbele velletjes postpapier, geheel beschreven. (M.M.)

Gedateerd op grond van een notitie in potlood, door Mimi op de brief aangebracht.

Minnebrieven pag. 54: zie VW II, blz. 51.

dien Dr. in de letteren: zie VW X, blz. 470 en 476.

Over Vrijen Arbeid: zie VW II, blz. 262-264.

Inzake Multatuli's lidmaatschap van de loge zie men VW IX, blz. 314.

Kruissprook: zie VW II, blz. 106-114.

Ds. Francken: zie VW I, blz. 377-390.

Woensdag

Lieve Mimi, nu heb je denk ik, myn pakje al, dat zoo mal in tweeen gesplitst is, omdat het spoorboekje waarmeê ik eerst dacht myn brief te verzenden, geen pond woog, zoo als de bespottelyke wet voorschryft. De spoorwegmaatschappy mag geen afbreuk doen aan de postery, goed, - maar als je nu een turf vastbindt aan je brief, is 't in orde! Ziedaar een staaltje van de hoogte waarop de wetgever staat, dezelfde wetgever die met z'n hooge geleerdheid beschikt over je persoon en goederen. Onder de 70 gekozenen die tegenwoordig waren by 't bediscussieren van de postwet, was niemand die opstond om zich te verzetten tegen zoo'n zotterny, Zoo'n bepaling is òf overbodig, òf - zoo niet, dan moest men 'r niet illusoir kunnen maken met 'n turf! ‘Wat gaat my dit aan?’ vraag je? Mimi, naar die wetten worden we geregeerd. Naar die wetten worden de belastingen geheven, naar die wetten wordt over 18-20 jaar je zoon naar de grenzen gestuurd als loteling, - die wetten bepalen of je mondig zyt of niet, of je ooit mag meêspreken, - die wetten zeggen dat je gehoorzaamheid schuldig bent aan je man, - die wetten veroordeelen je als je steelt uit honger, of je kind vermoordt uit bittere schaamte en wanhoop. Er is weinig om je heen wat niet is daargesteld door wetten die gemaakt zyn door luî van zulk allooi; als je dus blyft vragen: ‘wat gaat my dit aan? zou je (zoo als helaas, velen) afstand doen van je regt als mens. 't Is dan ook alleen door de slaperigheid der geregeerden, dat de middelmatighedens baas werden en blyven.

Wat gaat my dit aan? Gaat het eener poolse moeder niet aan dat de Russen haar kind vermoorden? Welnu, waardoor is Polen geraakt in dien toestand? Door de lamheid dergenen die, vóór de verdeeling, den boêl zoo in den war hebben gestuurd dat vreemde overheersing niet uitblyven kon.

Maar toch erken ik dat wetten, slechte wetten, niet het ergste zyn. De zeden, de onbeschreven wetten, drukken zwaarder. Dat moet je weten, dunkt me. -

Lang, lang geleden zag ik in dat ik magt noodig had, veel magt, onbegrensde magt. Zooals altyd was m'n heele politiek de inspraak van myn gemoed. Nooit werkte ik daarop met inzigt, of kunst. Waar in myn omgeving kringen golfden was ik altyd het middelpunt dier cirkels. ‘En s' approchant d'Edouard, on se sent entraîné comme dans un tourbillon’ vond ik in een brief dien ik by toeval las, jaren nadat i geschreven was. Eens toen ik nog heel jong was, zou ik toegevoegd worden aan een assistent-Resident. Ik woû het graag, want daardoor zou ik Batavia verlaten, waar ik 't land had. De benoeming ging niet door, want heette het: ‘dan zou ik Assistt Rest zyn, en de ander toegevoegd aan my.’

Zulke wenken had ik myn leven door. Ook voelde ik altyd die aansprakelykheid voor alles wat verkeerd was, en meermalen als ik lyden zag, ontviel my de klagt: myn god, waarom laat gy my dan zoo magteloos!’ en ik drukte op: laat alsof 't een antwoord was op verwyt van pligtverzuim!

Op myn 22e jaar beloofde ik myzelf - 't klinkt gek, dat weet ik, maar ik wil je waarheid geven - ik beloofde myzelf een genie te zyn, die alles wist, alles begreep, alles kon, en nu nog wanneer ik myzelf betrap op niet kennen of kunnen, komt het me meer voor als moedwillige woordbreuk, dan als ongewilde en betreurde zwakte. (Wat het dan toch vaak is, helaas, vooral in 't dagelykse).

Toen ik trouwde, heb ik Everdine natuurlyk gewaarschuwd voor myn fancy. Zy begreep alles, en had er my lief om. Nooit was er de minste breuk in haar trouw. Altyd was ze zoo als ik haar voorstel in dien brief op pag 54 van de Minnebrn. Altyd verzoende zy my met myn fantaisie, als weêr de ‘kapel was neêrgevallen in 't dagelykse spoor, en daar vertrapt door een ezel.’ Over 't geheel is Tine juist zoo als ik haar in de M.B. geschetst heb. Alles is waar, alles, en daarom juist is 't zoo jammer dat ze gedrukt zyn, en gelezen worden door volk dat er niets van begrypt. O, 't is een profanatie, en ik vloek dien Dr in de letteren die met z'n gehuichelde philantropie my verleidde tot zoo verkeerd besteedde openhartigheid. Over 't geheel is schryven voor 't publiek, iets indécents. Gy zoudt uw knie, uw enkel zelfs, bedekken voor 'n voorbyganger, en ik geef m'n ziel te koop - 't is infaam. Schryven is ontucht, want òf men schryft wat men meent en gevoelt, en dan is die intimiteit te fyn voor vreemden, òf men schryft ànders dan men gevoelt, en 't wordt een laffe, flauwe kunstemakery, als van een gemeene meid die voor geld zich in lokkend postuur stelt of glimlacht. Maar 't publiek is zoo gewoon aan gekochte - en dus nagemaakte, aandoeningen, dat het er niets van begrypt als iemand zich geeft zoo als hy is. De Venus wordt voor vreemd aangezien omdat ze niet gekleed is door 'n modiste enz. -

Woensdag avend

Ik schryf afgebroken. Telkens word ik gestoord. Dat spyt me. Liever schreef ik je drie dagen achtereen. Er zou meer geleidelykheid wezen. En ook bovendien, wie of wat me aftrekt van u, besteelt me. Alles is weêr uit, en ik zal ½ uurtje of misschien langer rust hebben. Dat 's prettig. -

De middeleeuwen waren grof, handtastelyk. Brandstapels, boerenjagten, veldslagen (waarby, let wel, in weêrwil der zoogene ridderlykheid de ongeharnaste gemeenen wel degelyk werden voorop gestuurd, met gelyk of grooter gevaar, doch zonder aandeel in den roem) eeuwigdurende oorlogen waaronder niet zoozeer de stryders leden als zy wier grond en akker werd gebruikt als toneel van den stryd - dat alles kon men zien, voelen, noemen. By verfynde middelen kwam dat zigtbaar mishandelen op den achtergrond, en in plaats daarvan wordt het menselyk geslacht tegenwoordig verdrukt op min bloedige, maar eigenlyk kwaadaardiger wyze. Nog flinker is 't heersen door ruwe kracht, dan dat baasspelen met geld en papier, dat speculeren op den honger der menigte. In beide perioden had men evenwel denzelfden hefboom: de godsdienst.

(Zie als 't je de moeite waard is over 't verschil der wyze van baasspelen m'n Vry arbeid pag. 103-107. -

By menig schokkend toneel van slagting of bloedige tyrannie in de middeleeuwen, waar de verontwaardiging van sommige betergezinden moeite had zich te verbergen uit vrees voor den toorn van 't gezag, moet van tyd tot tyd een blik zyn rondgegaan in den kring, die vraagde: - Broeder vindt gy deze dingen goed?

En zoo'n blik vond meestal neêrgeslagen oogen, want een toestemmend [*] In het handschrift heeft Mimi dit woord met potlood doorgestreept en verbeterd in ‘ontkennend’. Zo staat het ook in haar Brieven-edities. (G.S.) antwoord was gevaarlyk.

Soms zal een meer stoutmoedige met gedempte stem diezelfde vraag hebben gewaagd, en daarom meermalen geen antwoord bekomen hebben. Want wederom was er groot gevaar in 't antwoorden. Eindelyk moet een ontevredene iemand hebben gevonden die op z'n vraag (Vindt u 't niet benauwd hier?’) toestemmend knikte, maar er by voegde: ‘Chut, chut, - niet hier - men hoort ons - waar kan ik u vinden? Doch laat ons zorgen dat niemand wete dat wy spraken over deze dingen. Ik zal by u komen.

- Volstrekt niet. Ik woon niet alleen. Men zou ten mynent ons bespieden, en verraden. Bedenk eene plaats waar we veilig zyn.

- Zeer wel (men geeft eene plaats op) En nog iemand dien ik ken en die onze meening deelt zal daar zyn.

- Hoe heet hy?

- Hy vreest zyn naam bekend te zien.

- Hoe zal ik weten dat hy een der onzen is?

- Hy zal spreken over bouwen.

- By toeval kan een ander my aanspreken over bouwen.

- Hy zal dàt woord zeggen: (paswoord).

- Hoe zal hy weten dat hy my kan vertrouwen?

- Hy zal slechts de eerste helft van 't woord zeggen, en u vertrouwen als gy hem de tweede helft toefluistert. -

Ziedaar, heel in 't ruwe, een begin der loges die zoo'n groote rol hebben gespeeld. Er is iets kinderlyks in, ja als in de beginselen van veel groote dingen.

De vrymetselary stelde zich ten doel zich te verzetten tegen geweldenary, en had dus te stryden tegen koningen en priesters. Hare middelen waren: verlichting, mededeeling van kennis, uitroeien van vooroordeel, kortom haar doel was, of altans men gaf voor dat het doel was: 't goede!

Natuurlyk wilde ik weten wat zy uitvoerde en hoe? Ik sloot my aan, en bleef even wys. Ik vond praatjes, wawelery, phrases. ‘De broeders moeten elkander liefhebben.’ Ei, de broeders laten elkaêr in den steek, precies als die andere broeders, de Christenen. Ik klaagde over teleurstelling zoowel wat aangaat myne weetgierigheid (ik had gemeend iets nieuws te hooren) als ten opzigte hunner handelingen, van hun ingrypen in 't raderwerk der zamenleving. Altyd kreeg ik ten antwoord wat zy in de Middeleeuwen gedaan had. ‘En nu, vraagde ik, nu? er is veel te doen!’

Ook werd my tegengeworpen dat ik nog zoo jong was. (Jong (style fr. maçon) wil zeggen: laag in rang).

- Goed ik wil klimmen in rang!

En dat deed ik. Ik werd van leerling, gezel, van gezel, meester, en bleef even wys (d. i. onwys) en even onvoldaan.

- Als je maar wat ouder was! zeiden zy.

- Goed, ik wil ouder worden.

En ik werd, ja wat al niet, Mimi! ridder van dingen die ik al vergeten ben, Schots ridder, ridder van 't Oosten, van 't Zwaard, van den drommel en z'n heele familie.

Maar ik bleef even wys. Op z'n hoogst leerde ik hoe die ridders elkaêr aanspreken en groeten, welke hunne symbolen zyn, hoe ze hun mantels dragen - maar van de wyze hoe ik als ridder van dàt of van dàt, te stryden had voor 't goede - niets!

Altans nooit iets wat niet evengoed kon geschieden, zonder die ridderschap. Geen zweem van verbond, van zamenwerken tot één doel, van magt door eendragt. Daarop doelt ook die passage in de kruissprook:

‘vrye metselaren

Die over 't goede, schoone woorden spreekt

Maar U onthoudt van stryden tegen 't kwaad;

Gy die U kindren noemt der Weduw, maar uw hand

Niet uitsteekt om het Kruis te dragen van haar zoon.’

(Kinderen der Weduw noemen zy zich; waarom, van welke weduw weet ik niet.)

Eindelyk werd ik souverein prins van 't rozekruis, met even weinig satisfactie als by de vorige promotien. Zelfs weet ik niet eens waar 't prinsdom ligt. Er zyn er die meenen dat we opvolgers zyn van de Johanniter ridders, anderen zeggen van de secte der Esséers waartoe Jezus zou behoord hebben, en Joseph van Arimathea en Johannes de dooper & Nikodemus. Maar de heele warboel kan me niet schelen. 't Is een bedorven troep. Toen vorsten en priesters in de middeleeuwen de (betrekkelyke) verlichting niet langer konden stuiten, hielden zy eensklaps op met het vervolgen der vrymetselaars, en sloten zichzelf, (wel wat trojaans-paardachtig) daarby aan, zoodat nu byna overal de koninklyke familien een of meer hunner leden tot nationale grootmeesters hebben gemaakt, (hier prins frederik) en zelfs Napol III een zyner creaturen, den maarschalk Magnan, aan de broederschap heeft opgedrongen. Het verval dateert van vroeger, maar dit zette het werk de kroon op. De onafhankelyke denkers, de helden van waarheid en regt lieten zich onder curatele stellen juist door hen tegen wien zy in de vorige eeuwen hadden gestreden. In frankryk byv: waar Napn alle sociétés secrètes heeft uitgeroeid, zag hy op tegen 't vervolgen der vry metselaars, (wyl er teveel zyn, en hy dus 't getal moest vreezen, al beduidt het gehalte niet veel). Maar door hen Magnan te geven tot hoofd, had hy de haute main in hunne vergaderingen, en hy kon zyn maatregelen nemen zoodra zy buiten 't gewone kringetje gingen van aalmoezen, weesgestichten, ondersteunen van arme reizigers &c

Want tot zoo iets bepalen zich de heeren. Je kunt wel zeggen (en ik ook) dat men dit wel doen kan zonder Salomo of Hiram. Juist, en dit is dan ook myn grief dat zy zoo geheel zyn afgeweken van de primitieve instelling. De vryheid van denken is verloren gegaan. In sommige loges heeft men zelfs Israëlieten uitgesloten geheel tegen den aard der zaak, die kosmopolities is. En flinkheid van handelen is finaal verloren gegaan, sedert men den nieuwelingen durft inscherpen dat ‘Politiek ligt buiten den kring der metselary!’

Niet in alle landen is men zoo bekrompen; maar in Holland is 't een ellendig jabroerig troepje geworden.

De heele uitsluiting van politiek is niets dan de zoo gewone lafhartigheid die bang is zich te stoten aan gezag, en dus blyven daardoor juist alle verkeerdheden in wetten en zeden, die gesteund worden door dat gezag, buiten bereik.

Ik heb by de broederschap niet den minsten steun gevonden. Ook heb ik die niet gevraagd, maar wel was 't haar pligt geweest, zy die voorgeeft zich te wyden aan ‘mensenregt.’ -

En de Christenen! ‘Gy zyt een der onzen, schreef Ds Francken, wy denken juist als gy. (‘Precies myn idee!’) Wy zyn 't juist die u de hand zullen reiken in uw pogen.’

Misschien heb je gelezen wat ik hem antwoordde in den Tydspiegel (Daarin nam: had hy zyn zalvende toespraak gezet.) Ik was toen nog niet zoo bitter als nu, en repliceerde met zachtmoedigheid, geloof ik. Welnu, nog wacht ik op dat ‘handreiken’ Ik beken dat ik later de Christenen onzacht bejegend heb, maar dat was juist omdat ze my in den steek lieten in een zaak die, volgens hun kerkepraat, de hunne was. ‘Mensenliefde, broederschap, opheffen van verdrukten’ &c &c - praatjes!

Na den Havelaar werd ik in 't bespottelyke verheven als - schryver. Dat hinderde my. (Zie in de Minnebrieven de parabels van Chresos en van de gillende moeder.) Eens toen een Dominé my zeide dati dat boek met zooveel genoegen gelezen had, viel ik uit, en zei ‘dat hy dan wel 'n heel gemeene kerel was!’

God weet dat ik 't niet had geschreven, noch voor myn genoegen, noch voor 't genoegen van wien ook! Ik zocht (en zoek) regt!

Wel was my de Havelaarszaak een gewenst punt van uitgang, tot het beklimmen der hoogte waarop ik staan wil, om alles te kunnen overzien, tot het grypen van de magt die ik noodig heb om alles te veranderen, wat my slecht voorkomt.

Want, dit zei ik je reeds, wel heb ik sedert myn 22 jaar dikwyls gefaald in de keuze der middelen, maar nooit ben ik veranderd van doel. -

Middelen! O, hadde ik in plaats van den zachtmoedigen weg der overreding en van geduld, den weg gekozen van geweld! (Waar 't nu toch toe komen moet.) Te Lebak had het my één woord gekost, en de opstand was dáár geweest. Een heelen nacht heb ik my beraden. De beslissing was: ‘Verzet u niet, ik zal u helpen op andere wyze.’ Ja, ik had meêly met de arme drommels die my zouden gevolgd zyn, om één of twee dagen triomf te boeten met bloedige neêrlaag. Toch spyt het me dat ik 't niet gedaan heb. Ik ben te zacht geweest, en zal 't niet weêr zyn, zoodra ik kans zie om Holland op andere wyze aantespreken dan met geschryf.

Komiek, je weet dat Langiewicz, de dictator van Polen, een meisje tot adjudant had? Altyd als ik van haar las, dacht ik aan jou. Je hebt veel moed in je trekken. En ik dacht er by, als Langiewicz haar lief heeft, begryp ik wèl dat hy, naast en by zich zelf, haar blootstelt aan den dood, maar ik begryp niet, hoe hy 't kan aanzien dat ze 't ruwe kampleven met hem deelt, vuile taal hoort, en gemeene dingen ziet. De dood, zamen sterven, - o,'t is poetiek, maar die prys is weinigen weggelegd. De opgave is 't doorworstelen van een prozaisch leven. Ik ben voorby je huis gegaan van middag. Wat was my dat een doods gevoel datje niet daar was, noch in stad. Wat doe je nu? 't Is by twaalven. Och, geef me toch al je aandoeningen. Wat was je dagboek heerlyk voor my. Denk er aan dat het my behoort, je hebt 't my afgestaan.

Donderdag

Nog is myn brief niet uit. Maar als ik langer wacht met verzenden wordt hy toch weêr te dik voor 't couvertje dat ik heb van Marie's hand. En een pakje aan de spoor brengen loopt in 't oog. 't Kon zyn dat de spoorman u kende en my. De nieuwtjes in den kleinstädtischen Haag loopen gauw rond. Daarom verzend ik.

Nog weet ik niet wanneer ik in Amsterdam kom. De reden is verdrietig. Over 't geheel ben ik verdrietig. Maar trekje dit nu niet aan. De hoofdzaak is dat ik je dol lief heb. Ik wacht tyding van je. Als je niet hartelyk schryft, doe ik een moord. Neen neen schryf zoo als je gemoed is, ook al was je knorrig. Denk er aan dat liefde geven is. Geef me je ziel. Doe ik dat ook niet. Dag myn Mimi.