Multatuli.online

Lijst van brieven op datum

10 juli 1860

van

Multatuli

aan

Tine Douwes Dekker-van Wijnbergen (bio)

 

Volledige Werken. Deel 10. Brieven en dokumenten uit de jaren 1858-1862 (1960)

terug naar lijst

* 10 juli 1860

Brief van Multatuli aan Tine. (Brieven IV, blz. 92; Brieven WB IV, blz. 81). Met Van den Hoevell is bedoeld de schrijver en staatsman W.R. baron van Hoëvell.

Dingsdag 10 Julij 1860.

Lieve hart! Over de hoofdzaak ben ik opgeruimd, maar overigens ben ik bitter verdrietig dat ik nog niet heb kunnen thuis komen. De reden is eigenlijk alleen weer dat vervloekte geld. Toen ik dien avond dat ik je het laatste schreef van Jan fl. 100 ontving was ik daar zoo blij mee, vooral omdat ik al sedert vele dagen zonder een duit zat, dat ik mijn berekening verkeerd maakte. Ik dacht wat te kunnen doen met dat ellendig sommetje en bij slot van rekening was ik al bijna zooveel schuldig. Ik wil naar huis en zit nu maar te bedenken hoe ik aan het noodige geld kom. Van hier te gaan zonder te betalen zou wel kunnen, maar ik doe het om vele redenen liever niet, vooral daar het den schijn heeft alsof ik speculeer op de sympathie die het boek opwekt. Ik schrijf u hoop ik van avond weer. De reden dat ik een paar dagen niet geschreven heb is dat ik zoo opzag u over de geldzaken te schrijven. Als gij noodig hebt, ga dan in godsnaam bij Van Vloten, het valt me hard, maar ik weet op 't oogenblik niet anders.

De hoofdzaak staat goed, maar dat vervl. geld! Ik schrijf u van avond hoop ik uitvoeriger. Pieter en M. zijn gister hier geweest. Ze zijn naar de Buthe. Pieter was waarlijk lief en hartelijk. Dag beste schat, ik verlang dol naar huis, dag kinderen.

Zeg als gij het goed vindt ronduit aan van Vloten dat ik zoo graag naar huis wilde, om dan in den Haag terug te keeren, maar dat ik door bekrompenheid in geld mij niet roeren kan. Ik had dit liever vermeden, maar ik zie geen kans. Ieder is vol sympathie, maar daarbij blijft het! Begrijpen de menschen niet dat ik toch geld noodig heb om in 't leven te blijven?

Ik verwacht heden of morgen de recensie in 't Ned. Indische Tijdschrift. Ik denk door vanden Hoevell. Dat zal wel goed zijn. Ik heb aan prof. Veth geschreven. Maar ik wil hem niet spreken voor het vervolg in 't licht is.