Multatuli.online

Lijst van brieven op datum

25 juni 1860

van

Multatuli

aan

Tine Douwes Dekker-van Wijnbergen (bio)

 

Volledige Werken. Deel 10. Brieven en dokumenten uit de jaren 1858-1862 (1960)

terug naar lijst

* 25 juni 1860

Brief van Multatuli aan Tine. (Brieven IV, blz. 84; Brieven WB IV, blz. 76)

Amsterdam, Maandag avond,

25 Junij 1860.

Lieve beste engel! Ik heb zoo even uw brief van gister ontvangen. Ik schrijf u alleen om u niet te vergeefs te doen wachten, maar ik heb niets te melden, helaas! Ik begin hoe langer hoe meer intezien dat men wel mijn boek verheft als boek, maar verder niets. 't Is wel hard!

Ik heb de laatste dagen eigenlijk alleen doorgebracht met te denken hoe ik aan geld zou komen, en ik had er genoeg het land over dat het altijd daarop neerkomt. Voor het dagelijksche heb ik mij kunnen helpen door te Rotterdam van Van Prehm en hier van 't logement geld te vragen. Maar daar hoor ik van iemand dat Jan van avond hier zal komen. Die heer had het van Veenstra. Ik ontving zoo even een brief van Jan die vrij wel gestemd geschreven is. Ik hoop dus kassian dat hij zal inzien dat ik om wat uitterichten toch in leven blijven moet.

Ik kan u moeijelijk die recensie van den Economist zenden omdat ik er maar een heb en het zou te veel kosten een tweeden te krijgen. Ik zou in dat geval een heelen jaargang moeten nemen. Die recensie is gunstig en welwillend: ‘een diamant van stijl, van gevoel, van humor’ maar hij dringt er op aan dat ik anders schrijf. Hij bedoelt meer op het terrein van staathuishoudkunde. Ik wil dat wel, maar vraag waartoe? Om de anderen te leeren hoe het wezen moet en intusschen zelf armoede te lijden? Want dat behoef je niet te gelooven dat men mij zou helpen na eenig werk, hoe dan ook, als men mij niet geholpen heeft na den Max! De slotsom is dat ik inzie dat ze moeten voelen. Anders helpt niets. Ik moet naar Frankrijk of Engeland en daar moeten zij opgewarmd worden. Maar wat ik ook doe voor alles is geld noodig. Dat is de hoofdzaak.

Lieve beste, ik hoop u morgen weer te schrijven. God geef met geld. Ik zal Jan zeggen dat gij niets hebt. Wees niet knorrig dat ik zoo weinig schrijf, ik hoop morgen weer. Kus de lieve kinderen. Ik ben ook verkouden. Dat komt van 't veranderlijk weer, 't is telkens te heet of te koud.

Ik wenschte dat gij niet genoodzaakt waart u bij van Vloten aantemelden om hulp. Moet gij, in godsnaam dan, maar ik wou liever zijne of hunne welwillendheid niet epuiseeren door een kleine hulp die ons over een maand weer in dezelfde positie laat. Ik wilde liever iets blijvends bedenken maar weet nog niet hoe. Dag lieve engel. Dag beste kinderen.

Je begrijpt dat ik het land heb. Van Lennep komt mij voor alsof hij zeggen wil: ik heb het mijne gedaan! En eigenlijk heeft hij niets gedaan, want als de M.H. het aan mij verstrekte geld niet dekt, dan is dat de schuld van den beroerden boekverkooper waar hij mij gebragt heeft.

Ik ben om de gunst verzocht van den boekverkooper Thieme te Zutphen, die mij schreef dat hij van het boek 300 ex. naar Indië zou gezonden hebben. De Ruijter heeft 30 gezonden! Is dat niet om te schreijen? En dan praat v. L. van ondankbaar!