Multatuli.online

Lijst van brieven op datum

18 juni 1860

van

Multatuli

aan

Tine Douwes Dekker-van Wijnbergen (bio)

 

Volledige Werken. Deel 10. Brieven en dokumenten uit de jaren 1858-1862 (1960)

terug naar lijst

* 18 juni 1860

Brief van Multatuli aan Tine. (Brieven IV, blz. 71; Brieven WB IV, blz. 68)

Maandag avond 18 Junij 1860.

Lieve beste Tine! Ik heb uw brief van Zaturdag middag vijf uur eerst heden morgen ontvangen. Dat vind ik schandelijk lang. Maar de inhoud doet mij genoegen. Ik ben benieuwd naar den afloop van uw bezoek bij van Vloten.

Het is eigenlijk toch voor u pleizierig eindelijk eens weer in een fatsoenlijken kring te wezen. Deel mij goed mee wat er alzoo voorvalt en hoe de pierewieten zich gedragen hebben.

Nog heb ik geen antwoord op het gevraagde geld van v. L., ik denk echter dat dit aan den zondag ligt, en dat er geld op de post is gedaan door den bankier heden na 't bureau. Dus waarschijnlijk morgen. Ik ben toch niet ongerust over u, want ik ben zeker dat het komen zal, en mogt gij intusschen verlegen zijn dan zal je je wel weten te redden, daar het niet is alsof er niets verwacht wordt.

Jan had wel uit den hoek mogen komen. Maar neen! Allerlei vertellingen over donkere toekomst, enz. Nu ontken ik niet dat thans bij de intrekking van den Vrijen Arbeid de zaak beroerd wordt...

Een brief van Van Prehm, die mij schrijft morgen bij mij te zullen komen.

Ik heb Jan geschreven om in Amsterdam naar de Dageraad te gaan en te vragen of ze den Max Havelaar niet beter zullen aankondigen. Ik begrijp het met.

Ik klaag bij v. L. steen en been over de Ruijter. 't Is een ware schande. Ik denk dat ik een soort vervolg op Max zal schrijven, en dat bij Nijgh uitgeven. Die zal er meer beweging mee maken. Nijgh zegt, de Ruijter had 1000 ex. naar Indië moeten zenden.

Dat ik nog altijd hier ben is omdat ik nu eens aan v. L. mijn adres hier heb opgegeven en hier geld wacht. Ook heb ik morgen hier een zaak. Als ik geld ontvang en die zaak is afgeloopen dan ga ik even naar Amsterdam, en even in den Haag bij Fuhri aan en daarna zal ik beslissen waar ik mijn hoofdkwartier zal opslaan.

Die zaak is deze: toen ik van morgen dien brief van v. L. kreeg met de vertelling over Auguste Barbier, ben ik uitgegaan en heb aan Nijgh gevraagd of ik hier ergens een lokaal kon huren. Hij liet mij den weg wijzen naar 't Notarishuis, waar een zaal is die gewoonlijk dient tot het houden van verkoopingen. Heden avond staat er in de N.R.C.:

‘Multatuli noodigt het fatsoenlijk Rott. publiek uit hem eenige oogenblikken gehoor te verleenen in de groote zaal enz. Morgen middag te twee uren.

Hij zal noch over zich zelven, noch over den Havelaar spreken.’ Neen, ik zal wat hulp vragen voor Barbier. Ik kan niet verdra-gen dat die man, de dichter der Jamben, een poeet dien ik in kracht en gloed boven Victor Hugo stel, een oude broek draagt. Zorg voor je eigen broek, zal je zeggen, maar ik meen dat te doen door wat hulp voor Barbier te vragen. Hier in Rotterdam zijn velen die mij zien willen, en zoo heb ik het 't liefst. Ik zal je trouw schrijven hoe die séance afgeloopen is.

Dag lieve hart. Kus de pierewieten.