Multatuli.online

*6 maart 1855

Brief van E. Douwes Dekker aan P. Douwes Dekker. (afschrift M.M.) De brief is op 11 maart 1855 verzonden.

's Hage, 6 Maart 1855

Waarde P. & M.! Voor een paar dagen tehuis komende vond ik uwen brief welker inhoud Eef mij trouwens reeds vroeger had medegedeeld. Bijzonder frappeert mij daarin Uw verstoordheid over het aanbod van winst en hoezeer ik dit begrijp zoudt ge toch onregt doen om dit kwalijk te nemen, daar het aanbod van onze zijde hoezeer nu door den drang der omstandigheden den schijn hebbende van een middel om U tot hulp overtehalen eigenlijk niet anders is dan de uiting van de denkbeelden die door Eef en mij honderdmaal besproken zijn, en die gij heel mooi zoudt gevonden hebben wanneer ze gebleken waren op elk ander oogenblik dan nu, nu wij juist door misrekeningen van onderscheiden aard in de brand zitten.

Ik zoude U daarvan veel kunnen vertellen, maar zou dan weêr dezelfde fout begaan, en toch wil ik er iets van zeggen schoon ik door velerlei tegenheden te bedrukt ben om lang te schrijven.

Sedert geruime tijd leef ik in het vooruitzicht om rijk te worden. Dit moge iets korter of langer duren maar gebeuren zal het. Rijk zijn komt met mijn geheele wezen overeen, daar ik niets liever doe dan geven en helpen. Gij met uw bekrompen inkomen naamt altijd eene ruime plaats in de droomen en plannen onzer toekomst. Ik wilde U ruimte geven in de middelen ter opvoeding Uwer kinderen, - gij moest een goed eigen huis hebben, - gij zoudt er onverwachts instappen, - het eigendomsbewijs 's middags onder Uw servet vinden, - daarbij zoude behooren eene vaste jaarlijksche toelage, enz. - Dat was ten Uwen opzigte onze meening. Everdine deelde daarin geheel en besprak voor zich weinig of niets, - meestal kleinigheden, die zij nu reeds hebben kan, - maar zij verheugde zich van ganscher harte in de begrootingen die ik maakte voor de toekomst, - meest alle van den aard als het genoemde.

Intusschen moet ik wachten en gedurig langer dan ik meende. Reeds voor vier maanden had ik moeten vertrekken, doch in de hoop mijn verblijf alhier te zullen kunnen volhouden tot de ontvangst van hetgeen ik te goed heb, stelde ik mijn vertrek gedurig uit, en zal het nog langer uitstellen tot ik door nood gedwongen wordt naar Indië terug te keeren. Dit echter zoude om vele redenen jammer zijn. Mijn verblijf hier is noodzakelijk.

Intusschen heb ik geld noodig. Ik vraag U, - gij weigert. Eef ziet dat ik gedrukt ga onder mijne tijdelijke verlegenheid en zegt niet te kunnen gelooven dat gij weigeren zoudt ‘als ze het nog eens goed schreef’ vooral daar ze een brief van Mietje had ontvangen waarin op hartelijkheid gedoeld werd. Ik liet haar begaan.

Niets is natuurlijker dan dat zij in haar schrijven denzelfden geest heeft laten invloeijen die onze gesprekken beheerschten, en dat er dus in voorkwam ‘Gij kunt het dubbel weêromkrijgen, en meer dan dat!’ want dit is de waarheid. Ook is zij gedomineerd geweest door de tegenstelling tusschen onze plannen met U en Uwe reserve met ons. Die tegenstelling is dan ook nogal scherp. Wij verheugden ons sedert een jaar met hetgeen wij voor U doen wilden, gij laat ons in den steek nu wij om hulp vragen. Gij beroept U op de vorige hulp, hetzij zoo, - ik hoop U eenmaal te bewijzen dat de latere insgelijks goed besteed zou geweest zijn, en dat de eerste geene reden was om het andere te weigeren - ik hoop U later te toonen dat beiden tezamen gewoon kleinigheden zijn bij hetgeen er voor mij van afhangt om Holland niet te verlaten.

Toch zal ik spoedig moeten besluiten. Ik heb reeds een brief van den Minister waarin hij vraagt waarom ik nog niet weg ben en er op aandringt mij te verklaren of ik de dienst al dan niet verlaat. Ik heb hem de zaak blootgelegd, en ofschoon hij mijne weifeling begrijpt, bleef hij toch op eene decisie staan. Ik zal het nog wat trachten te rekken, doch als ik eenigzins kans zie het hier uit te houden gedurende nog 6 à 8 maanden dan blijf ik. Zoo niet, - dan zal ik wel moeten gaan, - doch zou dan trachten over een jaar terug te komen, als het dan niet te laat is.

Met of zonder uitzigt op voordeel helpt mij met zooveel gij kunt. Gij zegt niet te mogen. Dit moet natuurlijk doelen op het benadelen uwer kinderen en daarop zoude ik U moeten antwoorden, dat het Uwe kinderen tienvoudig ten voordeel wezen zal. Ook ik heb vrouw en kind en denkt gij dat ik onbedacht hunne toekomst in de waagschaal stellen zoude, door mijn ontslag te vragen, als ik niet zeker was te zullen slagen?

Vaart allen wel en antwoord mij spoedig. Ik kan niet gelooven dat gij zoo onberedeneerd vasthoudend zoudt zijn om voortdurend weigerend te antwoorden op mijne zoo dringende aanvragen. Gij zult er naderhand verlegen over zijn U zoo te hebben laten verzoeken. Als gij misschien de vraag oppert waarom ik niet elders vraag, weet dan dat ‘anderen’ mij reeds ca. f35/m hebben gegeven, en dat degenen die mij meer zouden kunnen en moeten geven, juist zij zijn wier belang medebrengt dat ik uitgeput van geldmiddelen onverrigterzake naar de Oost terugkeer.

Als ik mijn ontslag vraag ga ik dadelijk weêr naar België en van daar naar Duitschland. Eef is wel en de kleine groeit tegenwoordig goed, doch vereischt veel zorg. Hij drinkt ezelinnemelk en moet met raauw vleesch en versche eieren gevoed worden. Ik moet bekennen dat het hem tot nog toe goed doet.

Wij groeten u hartelijk.

Ed.

Reeds sedert vele dagen lag deze brief half af. Ik hoopte dien niet te behoeven te verzenden, doch heden 11 Maart gaat hij weg.