Multatuli.online

15 januari 1851

Brief van Dekker aan zijn broer Ds. P. Douwes Dekker te Den Helder. Twee grote dubbele vellen, geheel beschreven; de rest, die blijkens uitlatingen in het hierna genoemde schrijven een sterk polemische inslag moet hebben gehad, ontbreekt. (M.M.) De drie regels over debarbaarsheidvan het Europese successierecht zijn geschreven in letters van bijna tweemaal de gewone grootte.

Deze brief is ingesloten geweest bij die aan A.C. Kruseman van 14 februari - 6 mei 1851. Wellicht heeft Kruseman hem, overeenkomstig Dekkers laatste aanwijzing, niet doorgestuurd; in dit geval zal Dekker hem, tijdens zijn verlof, van Kruseman hebben teruggekregen. Het is natuurlijk ook mogelijk dat deze brief later door Pieter zelf, ofwel na diens dood uit de nalatenschap, weer aan Dekker ter hand is gesteld. De vermelding Abr: Bl: aan het slot beduidt: Abraham Blankaart, een hoofdfiguur uit Wolff en Dekens romanSara Burgerhart’.

Menado 15 Januarij 1851

Waarde Broeder! Reeds vele maanden lang is er geene scheepsgelegenheid zelfs naar Amboina of Java geweest, veel minder naar Holland. Zoo zelfs dat ik U nog niet eens geantwoord heb op den brief die mij den dood mededeelde onzer Zuster. Ik bevond mij op het oogenblik van ontvangst te Amoerang waar ik van Z.M. Stoomschip Bromo was afgezet na een klein togtje voor mijn genoegen langs de kust. Een pakje brieven was daar voor mij aangekomen waaronder de Uwe. Mijne aandoening zal ik U wel niet behoeven medetedeelen, en toch twijfel ik of gij U daarvan een juist denkbeeld maakt. Na een leven als het mijne, zoo heen- en weder geslingerd, na zoovele vezelen van mijn hart aan den doornhaag van mijn weg verscheurd te hebben, na zooveel getob, na zooveel vallen en opstaan, treft de smart zoo geheel anders dan in de meer ongedeerde gemoederen van anderen. Bovendien wantrouw ik de zuiverheid mijner smart. Ik had zoo gaarne mijne Zuster wedergezien (Schoon ik zeggen moet dat ik haar niet kende) doch telkens kwam het denkbeeld bij mij op dat er veel égoisme in stak, en dat veel er van slechts spijt was nu weder iemand minder te hebben die mij eenmaal in Holland verwelkomen zoude, - iemand minder die belangstellend zoude toeluisteren naar mijne Indische verhalen. Het lot der kinderen gaat mij zeer ter harte. Mijn eerste indruk was er twee of drie bij mij te nemen, doch natuurlijk kwam ik daarvan dadelijk terug zoowel om de uitgedrukte begeerte der moeder als omdat ik inzag dat nooit ik kinderen van Kees zoude kunnen opvoeden, hoe dolgaarne ik mij ook die taak zag opgedragen, daar opvoeding en volksbestuur naar mijn denkbeeld de eenige vakken zijn waarvoor ik aanleg heb. Reeds lang zoude ik dewijl wij tot nog toe niet met kinderen gezegend zijn, kinderen hebben aangenomen, doch ik ben zeer kiesch in de keuze en let zeer naauw op afkomst. Gij begrijpt wel dat ik hiermede niet adel of geld, doch physieke en intellectuele vermogens bedoel. Ik houd het er voor dat er onder de menschen veel meer dan men denkt, ‘ras’ bestaat.

Eigenlijk voor het eerst ben ik eens wat ziek geweest, en heb mij voor 8 dagen onder Doctors behandeling moeten begeven. Ik ben anders zeer tegen medicijnen. Het was echter of mijn gestel er het land over had dat ik hem niet zoo als altijd, maar begaan liet, want ziet mijne ziekte liep voor den Doctor uit, en toen de goede man in barensnood was van wie weet welke hoog wetenschappelijke kuur, was ik al weêr beter. Ik ben altijd door (dit is nu eenmaal mijn gestel) zeer zenuwachtig. Ditmaal echter scheen zich dit tot eene zoo verhoogde prikkelbaarheid te hebben opgevoerd dat er iets meer aan moest gedaan worden dan water drinken. Ik kon niet meer slapen &c. De Doctor beschouwde het als eene belangrijke crisis, maar het heeft zich heel gaauw weer ten beste gekeerd. Op het oogenblik ben ik zoo kalm als ik lang niet geweest ben, en ik schep er genoegen in dezen avond eens aan U te schrijven, schoon er geene kwestie van verzending is.

Onze correspondentie, ik weet dit, is niet drok, en dat kan ook niet anders. Zeer zelden ben ik tot particulier schrijven gedisponeerd, - nooit als er eene gelegenheid is, en brieven zoo als ik uit Holland ontvang, - neem mij niet kwalijk beste broeder, - wil en kan ik niet schrijven. Ik moet U ronduit zeggen dat Uwe brieven mij niet voldoen. Het zijn van die brieven ‘om dit of dat schip toch niet zonder tijding van ons te laten vertrekken’ maar het zijn geen brieven die een surrogaat daarstellen voor het door afstand onmogelijk gezellig mondeling onderhoud. Er zijn geene idees in, geene gewaarwordingen, - het zijn geene praatbrieven. Leg U zelven in gedachten eens Uwe brieven voor, en vraag U af of dat nu bij benadering hetgene is wat gij mij te vertellen zoudt hebben als ik het geluk had U eens weder te zien? Ik heb op het oogenblik naar Amboina verzonden om daar op gelegenheid naar Java te wachten een brief aan Jan van 32 pagina's. Ik bedoel nu niet dat die brief zoo mooi als lang is, maar het is toch een bewijs dat ik wat te praten had, en dat blijkt uit uwe brieven niet. Wel zoo, zulje zeggen dat is al heel mooi, zulk een uitbrander te geven aan een ouder Broêr! Ik vraag alle vergeving voor mijne stoutheid en verzoek U het alleen aantenemen als een bewijs dat ik zoogaarne andere brieven van U ontving, waartoe ik mij dan ook zeer aanbeveel.

Ik merk daar echter dat ik mij door mijn verwaand toontje van aanmerking op Uwe brieven in een moeijelijk dilemma geplaatst heb. Als men den Professor uithangt mag men geen schooljongenswerk leveren - hoe het zij, ik zal schrijven op de manier die mij het best van de hand gaat; wij zullen zien wat het geeft. Ik zal bijv: maar beginnen U eens te vertellen hoe wij het hier hebben.

Mijne betrekking hier is zeer notabel. Alleen sta ik onder den resident, doch met Everdine, daar de Res. niet getrouwd is zijn wij al zoowat de eerste van de plaats; en in het algemeen moet ik zeggen dat het publiek ons eer meer dan minder ontziet dan ons toekomt. Ik kan niet juist weten of gij begrip hebt van eene plaats als Menado wat het publiek aangaat, doch waarschijnlijk is dat grooter dan gij denkt. Zoudt gij wel gelooven dat hier minstens eens, meestal meermalen smaands partijen worden gegeven van 100 & 150 menschen? Op sKonings verjaardag 50 is hier een bal costumé geweest dat werkelijk schoon was om te zien. Ik houd het er voor dat men in de grootste kringen in Europa bezwaarlijk zoovele rijke, schoone costumes bijeen zoude brengen als hier op het afgelegene Menado. En wat het aardigste was, er waren costumes van 16 & 1700, niet nagemaakt maar echt.

Voor ca 10 maanden kwam er een landgoedje te koop, en daar ik wel zin had in een eenigzins afgezonderd leven kocht ik het. Het lag 3 paal (juist 1 uur gaans) van Menado. Het was gedeeltelijk wild, gedeeltelijk beplant met cacao. Ik heb, daar het daarop staande huis niet bewoonbaar was, een nieuw huis daarop laten zetten, en sedert ruim een maand zijn wij nu daarheen verhuisd. Ik ben overtuigd als gij U in eens met uw geheel gezin bij ons kondet tooveren gij zoudt niet meer weg willen. Daar waar het huis staat heb ik een groot erf uit de wildernis weggekapt, en daarop eene soort van Engelsche aanleg begonnen. Ik heb reeds honderde boomen in den grond gezet, die wèl is waar eerst na jaren effect zullen doen, doch nu reeds marqueren wat het worden zal. Het land is beplant met ik weet niet hoeveel duizend cacaoboomen, eene kultuur die vroeger veel opbragt door gereeden verkoop aan de Spanjaarden en Chinezen van Manilla, doch die in de laatste jaren door eene vruchtziekte (misschien ten gevolge van vulcanische dampen) niet gefloreerd heeft. Dit maakte het grondje zoo goedkoop, dat ik (eigenlijk voor de grap) f3000. bood, en zie, ik had het. Mijn eerste plan was vervolgens niet om den grond verder te exploiteren, want daar de betaling van werklieden hier zeer hoog is, begreep ik dat dit wezen zoude: goed geld naar kwaad geld weg werpen. Doch geen maand na den koop begon men uit eenige natuurverschijnselen (bijv: het bovenmatig bloeijen van andere gewassen die gelijk met de cacao waren ziek geworden) beterschap te veronderstellen. Het zoude dus jammer wezen als ik het plantsoen verwaarloosd had. In Mei en Junij E/k begint de oogst, en vele boomen zitten indedaad vol met vruchtjes. Het is maar jammer dat de tuin zooveel jonge boomen heeft, welker tijd van bloei nog niet dáár is. Het zal dus de vraag zijn of ik dit jaar, ook met den meesten opbrengst van de oude boomen de énorme uitgaven dekken kan (dat is maar eventjes f210 smaands!) doch wanneer de cacao zich nu voortaan gezond houdt kan het later een lief fortuintje geven. De plantaadje kan in een oogst f20 à f25/m. afwerpen. Als dat gebeurt kom ik eens gaauw met verlof. Doch gebeurt dat niet dan hoop ik mijne zaken toch zóó te schipperen dat ik, wel is waar wat minder spoedig, maar toch ook niet al te laat eens kom kijken. De dood onzer zuster is eene nieuwe herinnering hoe spoedig het zóó lang duren kan, dat ik zonder scha wel geheel kan wegblijven. Wat zoude de tehuiskomst dor zijn, als ik alleen de huizen, de straten en vreemden weervond! Nog nimmer heb ik betreurd naar Indie te zijn gegaan, doch ik schrijf dit meer toe aan eenige bijzonderheden in smaak en karakter, dan wel aan Indie zelf, want hoe ook met Indie (althans in overstelling met Holland) ingenomen, zoude ik nooit iemand onvoorwaardelijk aanraden zijn vaderland te verlaten. Als ik bijv: bij U was en een uwer zoons had de jaren om eene décisie aangaande zijne toekomst te nemen dan zoude ik, geraadpleegd wordende, uitstel van advies vragen en even als Aesopus eerst stap en gang willen zien voor ik antwoordde. Zelfs het physiek zoude veel invloed op mijn oordeel hebben.

Nu weêr tot mijne cacao teruggekeerd. Ofschoon ik het als een pligt beschouwde bij het herleven dier kultuur de natuur een handje te helpen was winstbejag evenwel geenszins mijn hoofddoel. Menado is ons eigenlijk wat te vrolijk. (Vraag eens marine-officieren, bijv: die op de Argo hier geweest zijn). Elke verjaring, elke doop, elke niets schijnt een partijtje te vorderen. Acht dagen zonder dansen schijnt der Menadosche Jufferschap eene onvergeeflijke inbreuk op hare regten, eene miskenning harer vlugheid, beminnelijkheid en van wat zij verder tusschen kleine voetjes en bruine of blanke gezigtjes ter markt brengt. En welke partijtjes! Meermalen rekent men ze niet bij uren maar bij dagen! (Oordeel niet te streng over die schijnbaar al te ligtzinnige opvatting van het leven. Ook ik ben er tegen, maar als ik kiezen moet, stel ik het vèr boven de Hollandsche antiqualiteit (bij gebrek aan een woord dat waar is, zonder scherp te wezen). Ik heb eene proef genomen om daarin eene verandering te brengen, waarvan straks nader, doch die is mislukt; de schuld ligt echter aan mij. Ik wilde alles wat gaauw, en werd boos omdat men niet terstond mijn tred aannam. Ik ben nu bezig den militairen kommandt. een beste wetenschappelijk ontwikkelde jongen aantesporen om als Johannes gedaan te krijgen waarvoor ik als Petrus ben opgetornd.

Als parenthèse is dit nu wat lang en dus leelijk, maar neem het als noot)

Daarvan hielden wij dus niet. Het viel moeijelijk ons al te veel te onttrekken vooral daar de reden: wij houden niet van uw pleizier, - stuitend is voor lieden die weinig andere pleizieren hebben. Bovendien is Eefje zoo geliefd, dat het werkelijk eene teleurstelling was als wij niet meestal medededen. (Gij kunt niet begrijpen hoe bemind zij is van den Resident af tot het kleinste bruine kindje toe) Ook mijne positie hier liet niet toe mij te veel te onttrekken daar het behouden der harmonie op zulk een groot schip als een buitenpost een' bepaalden pligt is.

Afgescheiden nu van mijn' tegenzin in die voortdurende roezemoezerij waarvoor ook mijn gestel niet berekend is, & mijne meer en meer toenemende neiging tot nadenken waarin ik geene te dikwijls terugkeerende stoornis verdragen kan, had ik bovendien eene zeer geldige reden om die pleiziermanie te ontvlieden. Ik heb eene betrekking waaraan zooveel en zoovelerlei werk verbonden is dat ik gedurig op mijn quivive moet zijn om den boêl regt te houden. Men heeft daarvan in Holland geen begrip. Daar heeft ieder zijn eigen vak waartoe hij speciaal is opgeleid, en in Indie wordt men met alles belast er op steunende dat het ambt de bekwaamheden medebrengt. Ik moest onlangs lagchen (zoo als ik trouwens veelal lach bij het lezen van Holl: werken) toen ik in een levensberigt van Staringh door Luloffs als eene bijdrage tot de waardering van 'smans verdienste aangevoerd zag dat hij bij de invoering van den Burgerlijken Stand, zich zoo goed van dat werk (ik weet niet in welk gemeentetje) gekweten had! Ook ik ben Ambtenaar van den burgerlijken stand, en ik laat het als een bijbaantje waarmede ik mij uit tijdgebrek weinig kan bemoeijen, meerendeels aan een Klerk over. En Staringh was Juris utriusque Doctor! En Staringh had weinig anders te doen, - vide zijne versjes!

Dit is geene zelfverheffing want ik zeg zelf dat een klerk het doet, - een schraal bezoldigd jongetje die nooit Menado verlaten heeft. Het is alleen om lucht te geven aan een bij mij bestaand denkbeeld (dat ik later als ik ginds kom, onpartijdig hoop te toetsen) dat men in Holland zoo magtig vèr achteruit is. Ook hierover nader als gij wilt.

Het zal niet onaardig zijn u mijne baantjes eens optenoemen.

Secretaris, dat is de schrijfmachine en moet zijn (ik hoop dat ik het ben) de regterhand van den resident, en bij elke afwezigheid die telkens voorvalt zijn vervanger. Dan komt er bestuur policie en kultures bij over NB. 27 districten, allen van elkander onafhankelijk en onder eigene hoofden staande die meestal kibbelen, soms vechten. Dit is de eigenlijke Minahassa (Zie daaromtrent te krijgen Tijdschrift van N.I. Jaargang No waarin een togtje door een gedeelte dier districten beschreven wordt. Eef en ik hebben dat zelfde tourtje gedaan.) Voorts de afdeeling Gorontalo waar echter een ambtenaar is, dus dat gaat van zelf, - maar dan 17 geheel onafhankelijke op eilanden en langs de kust gelegene rijkjes die voortdurend tot hun pligt (?) moeten gebragt, om belasting &c. aangemaand en desnoods gedwongen moeten worden. - Dat de waarneming van dat bestuur slechts van tijd tot tijd, en niet voortdurend is maakt de zaak niet beter, dewijl zulks veelal maakt dat ik morgen met de verkeerdheid van heden in mijn maag zit en van daag niet weet wat morgen goed gevonden zal worden. Het secretariaat zelf is bovendien sedert mijne komst niet gemakkelijker geworden. De verklaring van de menadosche havens tot vrijhavens, - de algeheele verandering van de organisatie zoo van politieken als van landbouwk. aard, - de in Indie ingevoerde nieuwe Wetge-ving (God betere het! neem dit niet als een vloek, - maar als eene bede) - het adviseren nopens de nog niet ingevoerde doch in de pen zijnde nieuwe wetgeving van Strafregt, - en daarbij niet de minste assistentie, noch boven noch beneden mij, - dit alles heeft mij bezigheden gegeven waaraan mijn voorganger (thans assist. Resident van Saparoea) nooit gedacht heeft.

Algemeen ontvanger. Als zoodanig heb ik een doorloopende kas van + - drie ton. voorts drie onderkassen in de binnenlanden die ik nooit zie, doch die op maandelijksche kasrekening bij mijne hoofdverantwoording verhandeld worden. Daarbij de geldelijke administratie over dertien pakhuizen waar koffie &c van de bevolking wordt ingekocht, en waarvan slechts drie op Menado zijn. De rest zie ik nooit dat gaat alles op een' distantie.

De genoemde twee betrekkingen zijn hoofdzaken. De bijbaantjes die ik zooveel mogelijk aan anderen overlaat doch waarvoor ik verantwoordelijk ben zijn: President van de Weeskamer, - Notaris, - Griffier (en als de resident absent is, President) van den Landraad en de Rijksraden. (Elk rijkje heeft zijn eigen geregt en eigene wetten die dan (alweêr God betere het!) met onze zoogenaamde Wetgeving zooveel mogelijk in overeenstemming moeten gebragt worden.) Dit is alles zoowel civiel als crimineel, en de vonnissen worden door den raad van Justitie te Ternate of in sommige gevallen door het Hooggeregtshof te B. gereviseerd en des noods, zoo als zij het noemen, gecorrigeerd, - dikwijls met overwijzing tot Hugo de Groot, of Justinianus, of v.d. Linden en meer dergelijke lieden, die nooit een Alfoer gezien hebben, en dus zeer bevoegde regters zijn. - Alweêr God betere het!

Ambtenaar van den burg: stand, - Lid en Secretaris van de subcommissie van Onderwijs, - Vendumeester (er wordt hier voor f150 a f200/m sjaars op publieke vendutie verkocht. De Vendumr geeft bij elken verkoop acceptatien af, betaalbaar op 6/m. het Gouvt is daarvoor garant. De inning der gelden is soms moeijelijk maar daarvoor heb ik eenige %. Wat de soliditeit der koopers aangaat moet ik meestal op het kompas zeilen van mijne ondergeschikten, want ik kan onmogelijk al die kerels kennen. Bankroeten zijn ook niet zeldzaam, maar worden toch door de % gedekt). De verkooper heeft hiermede niets te maken. Zijne accept. moet op den dag betaald worden. De instel-ling is over het geheel zeer heilzaam, vooral in Indie waar zoo oneindig veel mutatie plaats heeft. Men kan daardoor, mits de % betalende, elk object in één dag in contant geld veranderen, want de acceptatie van den vendumeester is overal gangbaar). - Vervolgens Ontvanger van het Successieregt onder Christenen. - Im onder onchristenen (mah: - chin: & andere heidenen) dit is geheel afgescheiden van het vorige dewijl de volksaard dienaangaande andere instellingen heeft noodzakelijk gemaakt dan de onze, die - op dit punt zoo barbaarsch zijn dat ik niet begrijp hoe gij en uw buurman of wie gij wilt al was het alleen hierom geen opstand maakt! - en, ten slotte geloof ik bewaarder van hypotheken, en ontvanger van het regt op de overschrijving van vaste goederen.-

Eefje riep mij om te eten - avondeten. Gedurende de drie minuten die ik daarvoor noodig had, dacht ik er over na hoe gek mijne laatste regels zijn; - gek, niet omdat ze niet waar zijn, - maar omdat het nutteloos is mij reeds bij het aanraken van een zoo klein hoekje in den Augiasstal onzer ellendige wetgeving mij zoo boos te maken. Ik heb daar groote letters gebruikt, hoe zoude ik moeten schrijven als ik de verontwaardiging over het geheel onzer Instellingen in mijne pen voelde trillen.

Zoodat ik maar zeggen wil (Abr: Bl:) dat ik veel te doen heb, en daarom kwam mij het ‘buiten wonen’ doelmatig voor. Drie palen afstands met slechten weg scheen mij eene geschikte barrière toe tusschen mijn denken en hun dansen. Maar er