Multatuli.online

Lijst van brieven op datum

1 april 1846

van

Multatuli

aan

Tine Douwes Dekker-van Wijnbergen (bio)

 

deze brief in handschrift

download handschrift

Volledige Werken. Deel 8. Brieven en dokumenten uit de jaren 1820-1846 (1954)

terug naar lijst

1 april 1846

Brief van Dekker aan Tine. Groot dubbel vel, tot het midden van de derde zijde beschreven; op de vierde zijde geadresseerd: Mademoiselle E.H. van Wijnbergen Tjanjor. (M.M.)

Poerwakarta 1 April 1846.

Lieve beste bruid! Gisteren avond schreef ik U een brief dien ik echter heden morgen weder verscheurd heb, omdat ik daarin eenigzins verdrietig gestemd was, en al liep ons alles tegen, - verdrietig te wezen in mijne omstandigheden is zoo als gij wèl zegt, ondankbaar. Ik ben veel te gelukkig met U, dan dat ik mij over omstandigheden van buiten te veel zoude ergeren; dit neemt niet weg dat ik mij de handelwijze van v.d. Hucht zeer aantrek. Het geld dat hij U beloofde had hij gerust kunnen houden, indien hij mij slechts die f400 koper hadde laten behouden. Hij weet dat ik in December bijna f3000 heb betaald, en dat ik dus het hem verschuldigde niet van mijn overvloed genomen heb. Dat ik hem de koopprijs van het paard in Maart betalen zoude was mijn eigen gezegde. Ik had even goed kunnen bepalen in April of Mei, en nu gaat hij vóór het einde van den bepaalden tijd reeds aan anderen over mijne schuld spreken, en mij compromitteren als of ik een slechte betaler was. Zijn gedrag is zeer schandelijk.

Ik hoop dat ge het zakje met f 342. - Zilvergeld goed ontvangen hebt, het is maandag, twee à drie uren na het ontvangen van uwen brief verzonden. Het geld is dus nog in Maart betaald. Ik geloof dat ik nu hierin solide gehandeld heb, en dat mijn gedrag gunstig afsteekt bij zijne kwade trouw. Eigenlijk moest hij zich schamen, - maar na alles wat ik nu van hem gezien heb, geloof ik niet dat hij zich met schaamte veel ophoudt. Hoor eens Eefje, zachtheid in ons oordeel is goed, maar waar de zaken zoo duidelijk spreken, - kan men toch wel tot eene opinie komen, en dus... ik houd hem niet voor een braaf mensch. In den brief dien ik verscheurde stonden zwaarder termen.

Ik reken al uit wanneer de perjeis terug kunnen komen. Gij begrijpt dat de eerste van hier ging vóór ik uwen brief had, en het doet mij zoo leed dat dezelve gegaan is, maar wie kan alles vooruit zien. Ik hoop dat mijn brief met de 2e perjei niet lang daarna gekomen is, en dat dezelve U eenigzins genoegen gedaan heeft, om de wijze waarop ik de indirecte aanmaning van v.d. H. terstond beantwoord door geld te zenden. Mijne eer is daardoor, voor zoo verre die gevaar liep, gered, maar tevens ben ik in eene moeijelijke positie, want ik heb nu geen geld. Oppervlakkige beoordeelaars zouden nu zeggen: ‘Zie je wel, daar hebben wij het al, nog niet eens getrouwd en reeds geldgebrek!’ Ik ben er waarlijk verdrietig over - te meer daar wij den schoonsten tijd van ons leven nu door zwarigheden van zulk een' aard moeten verbitterd zien. Zoo gaarne dacht ik aan U en onze liefde, en ik moet mij nu met nadenken over ellendige geldzaken bezighouden.-

Nu iets anders; - Zondag middag dacht ik er over om nog vóór ons huwelijk naar Batavia te gaan. Daarop zond ik U den volgenden morgen die expresse om U daartoe verlof te vragen. Ik had op Batavia waarlijk veel te doen (voor eene aardigheid zend ik U het kladje dat ik voor memorie had opgemaakt.) -

Toen ik echter Maandag morgen met de post uwen brief ont-ving, waaruit ik zag dat ge verdrietig waart, (en met reden) trok ik dadelijk dat plan in, om U niet alleen te laten. Ook is er van het gaan naar Batavia thans geen idee meer, want ofschoon ik er noodig wezen moest, heb ik toch geen geld daarvoor - en ik zoude er wel geld noodig hebben. - Maar lieve, denk nu eens goed, is het wel goed dat ik nu den 5n kom? Vóór ons huwelijk moeten wij noodzakelijk eenig geld hebben, al was het dan slechts f400 à f500. Als ik nu op Tjanjor ben vóór dit in orde is, zal ieder vragen: ‘Waarop wachten zij nu?’ Is het nu niet beter, lieve engel, dat ik niet kom voor ik meer van de zaak weet. Stel dat het nu 6 à 8 dagen langer duurt; - ik hoop toch dat in die tijd iets beslist wordt. - Eigenlijk kan ik niet oordeelen voor ik eenig antwoord van U heb, vooral omtrent hetgeen ge van Henriette hooren zult.-

Over het geheel loopt het ons tegen. Het aanbod van Permentier is vervallen, omdat zij beiden naar Batavia gaan. - De resident verwacht de geheele familie Hofland te logeren, ik kan er niet van spreken om hier intetrekken, vooral daar Mevr. Dickelman nog niet bevallen is, hetgeen al voor een maand verwacht werd. Het huis van Phitsinger is nog al niet af, en het had volgens berekening toch gereed moeten zijn. - Ik ben heel verdrietig, lieve beste.

Ik laat dezen brief liggen tot het laatste oogenblik om te zien of er nog een van de perjeis terug komt, ik wilde zoo gaarne vóór de verzending van dezen, nog iets meer weten. - God weet of wij niet in een Inlandsch huis zullen moeten intrekken. Ik ben niets opgeruimd, maar toch heb ik U heel, heel lief beste Everdine, - want dáárom juist ben ik verdrietig dat ik het u in den eersten tijd niet zóó goed zal kunnen geven als ik wenschte. - Hoe het ook gaan moge, in allen gevalle zal ik raad weten.

12 uur. - nog geen perjei - Begrijp mijne positie toch goed, lieve engel. - Ik wilde zoo gaarne bij U zijn, maar eerst moeten de zwarigheden uit den weg geruimd wezen - Ik tob nu over het geld, en waar wij zullen intrekken. Vóór het vertrek van de post zal ik natuurlijk geene zekerheid hebben. - Ik kom dus niet op den 5n maar ik hoop U Zaturdag te schrijven dat ik de zaken geklaard heb, en dan kom ik zoo gaauw mogelijk. Vergeef het mij toch dat ik niet kom, ik lijd er zelf veel onder. Ik moet vóór mijn vertrek van hier toch zekerheid hebben - Ik ben waarlijk verdrietig - -

Daar ontvang ik Uwen brief, in antwoord op den eersten perjei. - Neen, lieve beste, al was ik nu nog van plan naar B. te gaan, op zulk een verlof ging ik toch niet, het schijnt u zeer te verdrieten. Nu hoop ik heden avond nog antwoord te krijgen van die tweede, - of gij dat geld behoorlijk ontvangen hebt. Ik ben er eigenlijk wel ongerust over, want het is toch zoo gemakkelijk er mede op de loop te gaan.-

Ik kan U over mijne komst niets zeggen. Maar lieve, ik beloof U dat ik doen zal wat ik kan. Ik heb op het oogenblik allerlei onaangenaamheden, maar ik heb U heel heel lief, vertrouw daar vast op. Als ik Zondag niet kom, krijgt ge toch dien dag een brief van mij met berigt. Schrijf mij ook nog met de post; mogt ik dan weg zijn dan zendt men mij den brief na. - Vaarwel lieve engel. Vertrouw er vast op dat ik U innig liefheb - Uw Ed.

O, ik verlang zoo naar latere tijding; - nu weet ik niet wat ik van de zaak denken moet. Kunt ge geld krijgen van v. H. of Mevr. v.d. H. neem het dan.-