Multatuli.online

Lijst van brieven op datum

januari 1846

van

Multatuli

aan

Tine Douwes Dekker-van Wijnbergen (bio)

 

deze brief in handschrift

download handschrift

Volledige Werken. Deel 8. Brieven en dokumenten uit de jaren 1820-1846 (1954)

terug naar lijst

26-29 januari 1846

Brief van Dekker aan Tine. Enkel groot vel, geheel beschreven, eindigend met de woorden:te laten vertrekken’. (M.M.) De tweede helft van deze brief is niet teruggevonden en werd herdrukt naar de publicatie van Mimi. (Brieven II, blz. 39; Brieven WB II, blz. 28) De scheiding tussen de twee gedeelten is door een * aangegeven.

Buitenzorg 26 Januarij 1846.

Heden morgen is de brief vertrokken welken ik gisteren avond in eene zeer verdrietige stemming aan U schreef, mijne lieve beste Everdine. Dat denkbeeld dat gij heden middag denzelven ontvangende U daarover bedroefd zult maken, hindert mij zeer. Ik wenschte wel dat ik U op Uwen laatsten niet zoo dadelijk geantwoord had, schoon ik U nu nog hetzelfde zeggen zoude met zachtere bewoordingen, daar het U toch altijd grieven moet als ik mij boos maak op betrekkingen waaraan gij zo naauw verbonden zijt, en waaraan gij erkent verpligting te hebben. Eigenlijk spijt het mij dat die brief van heden morgen verzonden is, niet omdat ik van opinie veranderd ben, maar omdat ik wenschte diezelfde opinie in zachtere termen geuit te hebben. Ik heb daar Uwen brief nog eens nagelezen, en de impressie blijft hetzelfde. Het komt niet te pas dat men U opmerkzaam maakt op gebreken in mij. Wat bedoelt men daarmede? Als gij er geene notitie van neemt, dient het tot niets, - en als gij er wèl aan hecht, zoude het U uw vertrouwen op mij benemen, zonder dat dit U tot iets baten zoude; integendeel, het zoude U ongelukkig maken door de gedachte dat gij U verbonden hadt met iemand die het er op toelag - hetzij dan uit slechtheid of onkunde, - U ongelukkig te maken. Wat denkt men toch wel van mij? Die bezorgdheid voor uw welzijn komt wat laat. Vóór den 26n Septr. heb ik den Heer v.d. H. aangeboden hem behulpzaam te wezen in het nemen van informatien omtrent mijn persoon, zonder echter mij aan het oordeel van wien het ook zij, te onderwerpen. Toen echter was het tijd, - toen zoude het zeer natuurlijk geweest zijn, ik had er mij toen in moeten schikken, - nu echter is het daartoe te laat. Elke opmerking ten mijnen nadeele tot U gerigt is eene directe aanranding mijner regten op U, en tevens eene schending van alle wellevendheid (om het niet erger te noemen). - Men mag niet tusschen ons komen. De band die ons verbindt is zóó naauw dat ieder ander ons vreemd is, neven en nichten niet uitgezonderd. Ik zoude niet dulden dat mijn broeder Jan zich daarin mengde, en hij zoude ook tact genoeg hebben het niet te doen. Ik zie hoe langer hoe meer in dat het fatsoen van sommigen geheel uiterlijk is. Men zoude zich door niets laten bewegen iemand in gezelschap een hardklinkend woord te zeggen, maar men schaamt zich niet, onder schijn van belangstelling, in het hart van een meisje zaden van wantrouwen te werpen omtrent dengenen die haar het naast is, en aan wien zij beloofd heeft haar geheel volgend levenslot te zullen toevertrouwen. Wat zoude ons lot wezen, hartelijk beminde Everdine, als men er in slaagde Uw vertrouwen op mij te doen wankelen! Ik kan er niet aan denken. Zorg er toch in godsnaam voor dat men er niet in slaagt. Gij zoudt zulk eene fout niet kunnen begaan, welke ik U niet vergeven zoude, directe ontrouw zelfs geloof ik, maar als ik moest bemerken dat gij mij wantrouwdet, dat het woord van een ander U ooit meer gold dan het mijne, dan zoude ik -

Ik kan er niet in komen, lieve engel. Misschien maakt mijne ervaring van vroeger mij zoo ongerust. En ook het staat mij niet mooi zoo te schrijven, alsof ik niet vast op U bouwde; Ik weet wel dat gij een trouw meisje zijt, maar ik ben altijd zoo bevreesd dat de welbespraaktheid van Nicht en de invloed die zij natuurlijk nog altijd eenigzins op U behouden heeft U eindelijk te sterk zouden worden. Als ik gissen konde dat men voort zoude gaan zóó tot U te spreken, zoude ik genoodzaakt zijn U van P.S. aftehalen. Ik verzeker U dat ik wel raad zoude weten. Wij hangen van niemand af, en al ware dat zoo, dan nog zoude ik niet dulden dat men zich met onze zaken bemoeide. Ik loop bovendien niet hoog met de wijsheid van menschen wien het altijd voor den wind ging. Waarschijnlijk ken ik de waarde van het geld beter dan iemand die daaraan nooit gebrek heeft gehad. Ik heb in zeer schrale dagen altijd het hoofd boven weten te houden, op Batavia in de fatsoenlijkste kringen verkeerd, niemand om hulp gevraagd, maar dikwijls nog anderen geholpen, menigmaal heb ik in beraad gestaan of ik voor het weinige, dat ik bezat rijst of handschoenen koopen zoude, - en nu, nu ik mij door al die onaangenaamheden heb doorgeworsteld, nu ik alles tot een goed einde heb gebragt, en op het punt sta mijn doel te bereiken, nu werpen mij menschen die er niets van weten voor de voeten dat ik de waarde van het geld niet ken! Ik moest het toch wel kennen, dunkt mij, want ik heb 28 maanden geleefd van nog geen f 30. - 's maands! En daarvan was ik lid van de Harmonie en geabonneerd in de opera! Dat ik schulden heb is waar, maar het zijn schulden die ik noemen durf, Schulden die sommigen niet eens zoo noemen zouden. - Bij mijn vertrek van Natal had ik geld noodig. - Ik verkocht mijn inboedel &c waarvoor ik circa f600. - betaald had. De weinige Europeanen die daar zijn, en de brave Sumatrasche hoofden boden op mijn goed zóó duur dat ik f2469. - ontving. - Daarvan had ik geene notitie behoeven te nemen. Sommigen zouden het niet gedaan hebben. Maar ik noteerde alles en beloofde mij zelven die menschen voor hunne edelmoedigheid schadeloos te stellen. Zóó zijn mijne schulden! - Vraagt gij hoe het komt dat ik geld noodig had? - Ik was bestolen. - Was ik dan zoo slordig dat ik mij bestelen liet? - Ik was krankzinnig na het lezen der advertentie in de Courant dat mijn meisje met een ander getrouwd was. Eene kas van f 100.000 was onder opzigt van eenen inlandschen schrijver. Ik bemoeide mij met niets. - Naderhand zeide men dat ik zelf gestolen had, - de generaal Michiels eischte dat ik buigen zoude en ampong vragen, of zeggen wie het geld had. Ik deed noch het een noch het ander. Men suspendeerde mij. Ik leefde op Padang een jaar zonder andere inkomsten dan het verkoopen mijner kleederen &c. Ik leed honger, maar vraagde geen ampong, en noemde niemand. - Men dreigde met eene criminele vervolging. Ik antwoordde: ga je gang, - en schreef op den grond op een omgekeerde kist, den eerlooze. - Wat konde ik beter doen. Ik zelf moest eerloos worden, en ik deed dus goed mij met dat denkbeeld te familiariseren. Ware de Gouverneur Generaal Merkus in leven gebleven, dan zoude ik eene schitterende voldoening ontvangen hebben. Hij wist alles. Hij was op Soerabaija toen hij mijn laatsten brief ontving. Terstond kwam er last om mij niet te vervolgen, maar mij naar Java te laten vertrekken, * en ik wist van zeer nabij dat Z. Ex. van plan was zelf naar Sumatra te gaan, maar hij stierf.

Nu heb ik alles afgedaan. Ik heb aan het Gouvernement die zoogenaamde pretentie betaald, men zal mij nu weder plaatsen. Dat heb ik bewerkt door een eindeloos loopen, reizen, schrijven en solliciteren en intusschen mij altijd bekrompen. Hoe gek komt nu die aanmerking dat ik de waarde van het geld niet ken.

Ik herinner mij daar een anecdote die ik u anders niet vertellen zoude, omdat daarin tot mijn lof voorkomt, doch ik moet wel een tegenwicht daarstellen tegen de andersluidende meeningen uwer familie. Toen ik van Sumatra pas terug kwam had ik iemand onder het oog gebragt dat hij dom was. Hij antwoordde mij niet, maar toen ik weg was zeide hij vrij scherp: ‘Met al zijne knapheid komt hij toch altijd in onaangenaamheden waarin ik met mijne domheid niet kom!’ Mispelblom Beyer die er bij was antwoordde dadelijk: Dat is waar, maar als gij er in waart, kwaamt gij er nooit weer uit, en hij wel.

Wees gerust over onze toekomst, lieve Everdine. Ik heb een zeer hoog denkbeeld van mijne verpligtingen omtrent u en onze kinderen, als God ons die geven wil.

Maandag avond. Straks moet ik hombre spelen. Ik breek nog even een oogenblikje uit om aan u te schrijven. Ik denk den geheelen dag aan u en onze toekomst. Ik heb u zoo lief Everdine, zult gij dat altijd gelooven, en daar vast op vertrouwen? Als ik uw hartelijk schrijven nalees, doe ik verkeerd mij ongerust te maken, ik vertrouw geheel op uw hart, maar de ondervinding van vroeger maakt mij zoo angstig dat men eindelijk zou kunnen bewerken dat uw vertrouwen verloren ging. Waak er toch goed voor, Everdine. Al ons geluk hangt er van af. Laten wij toch vast op elkander bouwen dat niets in staat wezen kan ons onze toekomst te ontrooven. Ik heb zulk een beklemd gevoel. God geve dat wij spoedig met eene aanstelling mogen verblijd worden. Als dit het geval is zal ik naauwkeurig berekenen of wij trouwen kunnen, en als ik dan zeg dat het kan, zult gij dan zeker toestemmen? Het idee dat wij, als ik geplaatst ben, nog langer zullen moeten wachten is mij onverdragelijk. Als wij om ons interigten geld mogten noodig hebben, zal ik daar wel voor zorgen, maar lang wachten zoude mij heel moeijelijk vallen. En gij, mijne lieve beste, zoudt gij ook niet liever spoedig geheel en al mijne Everdine willen wezen? Hoor eens lieve, wij zullen ons aan die kleingeestige aanmerkingen van anderen niet storen. O, als ik vroeger geweten had, hoe de zaken regt stonden, dan had ik Krawang aangenomen. Daar hadden wij zonder uw geld heel ruim kunnen leven, dan hadden wij nu reeds op het punt gestaan van te trouwen. Hoe het zij, lang kan het toch niet duren, men moet mij plaatsen in een betrekking gelijkstaande met mijn vorige. Ik wil liever van alles wat eenigszins overbodig is afstand doen en geen enkele duit zonder noodzaak uitgeven, dan ons geluk een dag langer uittestellen dan volstrekt moet. Ik heb u onuitsprekelijk lief, Everdine, vertrouw vast op mijn hart. Men meent dat ik mij niet zoo goed met het dagelijksch leven kan bezighouden? O, dit zal ik zoo naauwkeurig doen als het geluk van u er van afhangt. Ik wil zuinig wezen, kleingeestig zelfs als dit noodig mogt wezen, maar ik doe geen afstand van mijne hoop om binnen korten tijd gelukkig te zijn. Als ik maar bij u was! Dag lieve Everdine, dag mijn engel, ik moet kaartspelen, maar ik zal den ganschen avond aan u denken, dat verzeker ik u, o ik heb u zoo lief!

Donderdag 29 Jan.

Deze brief heeft reeds een paar dagen zoo gelegen. Heden morgen terwijl ik juist in uwe brieven zat te lezen en mij bekommerde dat ik in 3 of 4 dagen niets van u gehoord had, komt de koelie met eenen langen hartelijken brief. O hoe dank ik u voor dat schrijven. Ik ben innig boos op mijzelven dat ik zoo scherp geschreven heb, en nu in dezen brief alweder. Ja, mijne lieve, ik zie ook dat ik het te sterk heb opgenomen. Het is schande dat ik mij een oogenblik ongerust heb gemaakt over een meisje als gij. Vergeef het mij, lieve beste Engel, ik deed verkeerd, maar bedenk dat men zich in verdrietige stemming altijd het ergste voorstelt. Men plaagt zichzelven met de vrees voor ongeluk. Ik zie zelve in dat ik onregt gedaan heb en zoude dat zoo gaarne herstellen. Groet nicht hartelijk van mij, en zeg dat ik met den toestand van neef zoo vurig het beste wensch. Dag lieve engel, mijn hartelijk trouw meisje, nooit zal ik mij weder over zoo iets ongerust maken. Dag lieve beste, duizend kusjes van

Uwen Eduard.

Reken het eerste gedeelte van dezen brief maar niet, en let alleen op het laatste waarin ik zeg dat ik u zoo liefheb.