Multatuli.online

Lijst van brieven op datum

januari 1846

van

Multatuli

aan

Tine Douwes Dekker-van Wijnbergen (bio)

 

deze brief in handschrift

download handschrift

Volledige Werken. Deel 8. Brieven en dokumenten uit de jaren 1820-1846 (1954)

terug naar lijst

18-19 januari 1846

Brief van Dekker aan Tine. Groot dubbel vel, waarvan twee zijden beschreven; op de vierde zijde geadresseerd: Mademoiselle E.H. van Wijnbergen Parakansalak. (M.M.)

Buitenzorg 18 Januarij 1846.

Heden middag lieve beste Everdine, ontving ik Uwe beide brieven van 15 tot 18 Januarij. Ik verwachtte eigenlijk nog zoo spoedig geen brief van U maar ik verlangde er wel naar. Ik had pas tot Crone gezegd dat ik zoo gaarne zoude hooren hoe het met U was en ziedaar kwam de koelie aan. Ik ben zeer met U begaan, lieve engel, - gij schrijft telkens dat gij U goed hoopt te houden en raadt mij zulks ook aan, - daaruit alleen blijkt reeds dat het ons beide moeijelijk valt. Ik ben sedert mijn vertrek nog niet zonder hoofdpijn geweest, overigens ben ik zeer bedaard, hoewel ik mij nog altijd zeer verdrietig gevoel. Vandaag trof mij het denkbeeld zoo dat wij heden acht dagen geleden 's morgens bij elkander zaten in de kamer van de Jufvrouw, toen wij die preêk van Van der Palm lazen. Hoe weinig gedachte hadden wij er toen op dat wij zoo spoedig gescheiden zouden worden, en waarom toch? Wij hinderden immers niemand, en genoten ons geluk zonder daardoor aan anderen onaangenaamheden te veroorzaken. Toen ik hier naar toe reed, dacht ik gedurig of ik niet had kunnen blijven, maar alles wèl overwogen moest ik gaan. Zonder nu de vervelende oorzaken die tot mijn vertrek aanleiding gaven nategaan, is het toch zeker dat er sommigen waren voor wie mijne tegenwoordigheid niet heel aangenaam scheen te zijn, en mogt ik in dat geval blijven? Mogt ik mij opdringen? Geloof lieve Everdine, dat het mij moeite kosten zoude als ik nog lang op eene aanstelling wachten moest, zoolang van Parakan Salak weg te blijven, maar ik geloof waarlijk niet dat ik daar zal kunnen terug keeren. Ik begrijp Wm vd Hucht niet. Zoo menig maal heeft hij mij te kennen gegeven dat hij mij gaarne bij zich had, - in eenige brieven die ik van hem had ontvangen noodigde hij mij zoo dringende uit om toch te komen en Parakan Salak als mijn huis te beschouwen. Hoe konde ik denken dat hij mij zoo flaauw zoude laten heengaan. Toen ik naar v.d. Hucht ging had ik nog hoop dat hij mij engageren zoude te blijven, en in dat geval zoude ik veel over het hoofd hebben gezien, - maar zoo als het nu ging, weet ik niet wat ik er van denken moet. Ik was nml. van plan om toch binnen eenigen tijd naar Batavia te gaan maar niet op die wijze, en dan had ik toch terug kunnen komen -

Ik weet nog niet zeker of ik hier zal blijven of naar Batavia gaan. Er is eene vacature te verwachten van 1e kommies bij de Directie der Kultures. Ik zal er om vragen, - doch slechts zeer flaauw, want ik wil niet bidden om iets wat mij toekomt. Ik verzeker U dat ik, wanneer het niet was om spoedig te kunnen trouwen, om niets vragen zoude. Maar nu, mijne lieve, zal ik doen wat ik kan, want er is mij te veel aan gelegen.

De koelie heeft mij geen stang gebragt, ofschoon er op den brief stond: met een pakje.

Tot nog toe heb ik niet zoo veel aan U kunnen schrijven als ik wel wilde, omdat ik mijn eigen baas niet ben. Daar ik nu bij Crone logeer moet ik er mij wel in schikken er naar te luisteren als hij mij met zijne onbeduidende gesprekken verveelt. De menschen begrijpen niet hoe onaangenaam het is zooveel nonsense aantehooren als men andere dingen in het hoofd heeft. Heden (Zondag) ben ik geen oogenblik van hem ontslagen geweest, en van avond was het hombre. Daarbij heb ik nog altijd hoofdpijn, en ik heb mij nog tot schrijven gezet omdat de koelie morgen ochtend vertrekt, en ik dus een brief aan U wilde medegeven. Nu ga ik echter slapen, mijne lieve, na U nog eerst gezegd te hebben dat ik U innig, innig liefheb, en onophoudelijk aan U denk. Vertrouw daar vast op, mijne lieve beste Everdine. Ik heb nog geene koelies kunnen krijgen om mijn goed te laten halen. Ik zal trachten morgen, maar de Ass. Rest. zegt dat hij wel koelies kan geven om goed te brengen maar niet om te halen, - hoe kinderachtig! - Ik ben natuurlijk om mijn goed verlegen, want ik had slechts weinig medegenomen. Crone is goed en vriendelijk, maar ik verveel mij doodelijk in zijne discoursen. Bovendien houd ik niet van Buitenzorg. - Goeden nacht, lieve Eefje!

19 Januarij. De koelie staat te wachten, - echter niet op mij, maar op spijkertjes welke v.d. Hucht aan Crone verzocht heeft. Het is nog vroeg in den morgen, maar ik moet den brief aan U afmaken omdat ik straks ½ 8 naar den Inspecteur van Kultures moet gaan, bij wien ik belet heb verzocht. Ik hoop, lieve Everdine als ik terug kom aan U te gaan zitten schrijven, daar Crone heden naar het kantoor gaat. Neem het dus met deze weinige regelen voor lief, mijn beste. God geve dat ik U spoedig goede tijding kunne mededeelen. Ik heb op het oogenblik geen hoofdpijn. - Vaarwel lieve engel, ik heb u hartelijk lief, denk veel aan mij, - groet ieder, ook aan de andere départ. - Ik houd geen rancune.

Uw Eduard

Ik heb gezien hoe gij op het adres mijn schrift hebt nagebootst; ik heb er om moeten glimlagchen, het is heel aardig. - Schrijf mij of het paard goed is aangekomen, - hier mankeerde het niets, en was niet eens zeer vermoeid.