G√ľnst, F.Chr.-

1823-1885, studeerde in Bern, waarna hij van 1853 tot 1867 uitgever en eigenaar van een boek-, handels- en muziekdrukkerij te Amsterdam was. Zijn fonds bestond o.a. uit Licht-en schaduwbeelden uit de binnenlanden van Java van F. Junghuhn, Wat is vrijmetselarij van M.S. Polak, en Geen volksbeschaving, geen volksheil van E.H. Hartman.

Daarnaast was hij secretaris van de onafhankelijke vrijmetselaarsloge Post Nubila Lux, van 1855 tot 1867 uitgever en redacteur van het tijdschrift *De Dageraad en mede-oprichter van de vereniging *De Dageraad. Hij publiceerde in De Dageraad veelal onder het ps. Mephisto.

m. maakte in 1859 kennis met Günst toen zijn Geloofsbelydenis in De Dageraad werd gepubliceerd, m. wilde dat Günst de Max Havelaar zou uitgeven, maar dit voorkwam *J. Van Lennep: Günst was volgens de laatste geen fatsoenlijk uitgever.

Toen m. echter problemen kreeg met Van Lennep, stapte hij naar Günst, die nog in 1861 de Minnebrieven op de markt bracht. Als Günst echter niet in staat is om m. voldoende honorarium te betalen, vertrekt deze naar *R.C. d'Ablaing van Giessenburg.

In 1876 - Günst is dan redacteur van De Amstelbode - komt m. weer met hem in contact (vw xviii, p. 355). Günst is nog steeds straatarm (vw xviii, p. 362). Hij publiceert een brief van m. over de zaak *Jut in zijn krant. Na zijn overlijden in 1885 zorgt m. voor geld voor de weduwe. Hij schrijft hiertoe aan R.J.A. Kallenberg van den Bosch, die goede relaties in vrijmetselaarskringen heeft (18 november 1885, vw xxiii, p. 496-499).

In de Minnebrieven schrijft m. over hem:

‘Die Günst staat zeer ongunstig bekend - gy begrypt dat die geestige woordspeling niet van my is - ik hoorde het van een Dominee - die ongunstig bekende Günst zal helpen, als hy kan. Hij zal discompteren! En als deze niet mocht kunnen helpen, ga dan by Meyer op den Vygendam [*d'Ablaing van Giessenburg], waar Voltaire te koop ligt, en 't gebed van den Onwetende, van den krankzinnigen Multatuli, en veel ander zedeloos geschryf. By zulk volk moet ge wezen!’ (vw ii, p. 21)