Aglaja

het mode- en handwerkperiodiek waarvan sprake is in de Max Havelaar. De naam is ontleend aan één van de drie Chariten of Gratiën, de Griekse godinnen van de bevalligheid. Dit ‘tijdschrift voor dames’ verscheen vanaf 1835 en werd tot 1857 uitgegeven door *A.C. Kruseman. Aan dit laatste refereert m. wanneer hij spot dat Kruseman de ‘onsterfelijke Aglaia geschapen’ heeft (brief aan Mimi d.d. 2 en 3 mei 1862, vw x, p. 639).

Als bediende bij een boekverkoping laat Sjaalman de Aglaja vallen. Droogstoppel ziet hierin een aanwijzing voor diens onbekwaamheid:

‘Frits zei (...) dat een heer die daar het opzicht scheen te hebben, hem bekeven had omdat hy een paar jaargangen van de Aglaia had laten vallen, wat ik dan ook zeer onhandig vind, want dit is een allerliefste verzameling van dameshandwerken. Marie heeft het samen met de Rosemeyers, die in suiker doen. Ze knoopt er uit... uit de Aglaia meen ik.’ (vw i, p. 46)

(Lit. L. Ross, ‘Waarom liet Sjaalman de Aglaja vallen?’, in: Weerwerk, Opstellen aangeboden aan prof. dr. Garmt Stuiveling ter gelegenheid van zijn afscheid als hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, 1973, p. 136-142).